Einde van het finaal verrekenbeding, of toch niet ?

Het finaal verrekenbeding is een prima manier voor echtgenoten met scheiding van goederen om elkaar te beschermen. Dat beseft ook de federale wetgever, nu hij in het nieuwe huwelijksvermogensrecht maatregelen inschrijft om dit beschermingsmechanisme vaker ingang te doen vinden.

Tegelijk stellen we vast dat in Vlaanderen de gunstige gevolgen op het vlak successierechten bij de uitvoering van dit beding teruggedraaid werden door het Vlaams Parlement : nadat het Hof van Cassatie de belastingplichtigen gelijk had gegeven en de onbelastbaarheid van het beding dus vaststond, heeft de Decreetgever geoordeeld dat de bescherming die de echtgenoten elkaar geven in een verrekenbeding, onder de erfbelasting valt.

Wat is een finaal verrekenbeding en hoe werkt het ?

Vele echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen, hebben elkaar beschermd met een “optioneel finaal verrekenbeding. Dit is een clausule in het huwelijkscontract die de nare gevolgen van de zuivere scheiding van goederen wat kan temperen wanneer aan het huwelijk een einde komt.

In een zuivere scheiding van goederen is en blijft iedere echtgenoot eigenaar van zijn goederen en zijn de echtgenoten op het einde van de rit (bij echtscheiding of overlijden) niets aan elkaar verschuldigd. In een gemeenschapsstelsel daarentegen zal in beginsel de helft van de gemeenschap toekomen aan de langstlevende, zodat die een zekere bescherming geniet ; echtgenoten kunnen er ook voor kiezen om een groter deel de helft toe te bedelen aan de langstlevende.

Een optioneel finaal verrekenbeding zorgt ervoor dat ook de langstlevende in een stelsel van scheiding van goederen beschermd wordt door een aanspraak op het vermogen van de eerststervende. Het beding is :

-          Optioneel, omdat de begunstigde echtgenoot bepaalde keuzes zal kunnen uitoefenen ;

-          Finaal, omdat het uitwerking krijgt bij het einde van het huwelijk (door overlijden of scheiding, waarbij de bescherming bij overlijden meestal sterker werkt dan bij echtscheiding) ;

-          Gericht op verrekening, omdat de echtgenoten overeenkomen dat zij op het einde van de rit met elkaar zullen afrekenen met betrekking tot de eigen vermogens.

Stellen we ons een echtpaar voor (scheiding van goederen met optioneel finaal verrekenbeding) waarbij mevrouw 700 bezit en meneer 300. Stellen we ons ook even voor dat deze vermogens voortkomen uit beroepsinkomsten van na het huwelijk (“aanwinsten”). Bij de dood van mevrouw kan meneer er voor kiezen om  aanspraken te formuleren op het vermogen van mevrouw. Zo kan hij zich het gehele vermogen van mevrouw laten toebedelen, zodat hij bij zijn eigen 300 de 700 van mevrouw voegt. Of hij opteert ervoor om in totaal de helft van de aanwinsten te nemen, zodat hij boven zijn eigen 300 nog 200 van mevrouw neemt. Of hij kiest ervoor om niets te nemen ; alles is mogelijk.

De grote voordelen van deze regeling liggen hierin dat men toch een afgescheiden vermogen houdt (bijvoorbeeld omdat één van de echtgenoten een zelfstandige activiteit uitoefent), maar tegelijk een prima bescherming kan bieden aan de partner zodat die niet onbemiddeld hoeft achter te blijven.

Technisch gesproken kan meneer niet zo maar de goederen van mevrouw in bezit nemen ; het contract verleent hem een vordering op het vermogen van mevrouw. Dit betekent dat het vermogen van mevrouw (dus 700)  in eerste instantie geërfd wordt door haar erfgenamen (bijvoorbeeld de kinderen), maar dat meneer zijn vordering van 700 kan uitoefenen en dit bedrag kan opeisen.

En fiscaal ?

Op het vlak van successierechten en erfbelasting was deze regeling zeer gunstig : doordat meneer deze bedragen niet “erft” van zijn echtgenote (ze komen hem immers toe via het contract) vallen deze ook niet onder de erfbelasting. Tegelijk betaalden ook de erfgenamen van mevrouw (bijvoorbeeld de kinderen) niets : zij erfden immers het vermogen van hun moeder, dat bestond uit een actief van 700, maar ook uit een passief van 700 (de vordering van meneer), zodat er niets te belasten viel. Welnu, dit laatste werd door de fiscus jarenlang betwist ; de fiscus houdt immers voor dat de schuld van 700 aan meneer niet aftrekbaar is. Daardoor zouden de kinderen volgens de fiscus toch erfbelasting moeten betalen op een bedrag van 700.

Na jarenlange procedures heeft het Hof van Cassatie in januari 2017 beslist dat de verrekenschuld (het bedrag dat aan meneer moet worden uitbetaald) wel degelijk aftrekbaar is ; in ons voorbeeld zou dus noch meneer noch de kinderen enige erfbelasting betalen en komt het gehele vermogen van mevrouw belastingvrij toe aan meneer.

De Vlaamse Decreetgever komt de fiscus ter hulp

Nu het Hof van Cassatie de taxaties eigenlijk onderuit gehaald had, kon alleen een wetgevend ingrijpen nog een uitkomst bieden voor de fiscus.

Voor Vlaanderen is het Vlaams Parlement al aan de verzuchtingen van de Vlaamse Belastingdienst tegemoetgekomen bij Decreet van 8 december 2017 ; hierin is onder meer bepaald dat de verrekenschuld niet aftrekbaar is als passief in de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot, zodat de facto op diens gehele vermogen erfbelasting wordt geheven. Op fiscaal vlak gaan de gunstige effecten van het finaal verrekenbeding dus verloren. Indien meneer nu 700 opvraagt, zal dit toch belast worden.

In de literatuur worden bij de huidige decretale regeling vraagtekens geplaatst : wie in een stelsel van gemeenschap de aanwinsten van 1.000 zou opvragen (via verblijvingsbeding), moet erfbelasting betalen op hetgeen hij bovenop de eigen helft krijgt. In ons voorbeeld zou er erfbelasting moeten betaald worden op 500 indien ons echtpaar onder een gemeenschapsstelsel gehuwd was.

Er ontstaat dus een verschil in fiscale behandeling voor echtgenoten die aan de langstlevende de aanwinsten toebedelen in het huwelijkscontract, naargelang zij onder een gemeenschapsstelsel waren gehuwd dan wel onder een stelsel van scheiding van goederen. Of dit verschil genade vindt in de ogen van het Grondwettelijk Hof, is maar zeer de vraag.

Voor Brussel en Wallonië blijft voorlopig alles bij het oude : ingevolge de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijft het verrekenbeding daar voorlopig onbelast.

Het verrekenbeding gepromoot door de federale Wetgever – het nieuwe huwelijksvermogensrecht

Precies omdat het stelsel van scheiding van goederen in zijn zuivere vorm op zichzelf weinig solidariteit kent tussen de echtgenoten, voorziet het wetsvoorstel dat het huwelijksvermogensrecht zal wijzigen (in beginsel vanaf 1 september 2018) in een wettelijk kader dat de rechtszekerheid over de verrekenbedingen moet versterken. Het federale parlement zal daarom een aantal maatregelen nemen om de huwelijkse solidariteit in het stelsel van scheiding van goederen te verhogen ; er zal dus een wettelijke regeling uitgewerkt worden die het verrekenbeding op civiel vlak een sterke basis geeft, waardoor dit des te meer aantrekkelijk wordt.

Tegelijk worden deze bedingen fiscaal nu ongunstig behandeld, hetgeen op dat vlak toch om bijsturing vraagt.

Besluit

Het verrekenbeding blijft zijn nut houden op het burgerlijke vlak : de partners beschermen elkaar in een sfeer van huwelijkse solidariteit.

Dat er op deze bescherming voortaan erfbelasting wordt geheven is een ander paar mouwen, vooral omdat de verrekenbedingen zwaarder belast worden dan de bescherming via een gemeenschapsstelsel.

Gelukkig kan de solidariteit ook op andere manieren georganiseerd worden (via schenking, of aanwasovereenkomsten bijvoorbeeld).

In ieder geval is het aangewezen het huwelijkscontract goed na te lezen met de volgende vragen in het achterhoofd : zijn wij als partners goed beschermd in dit contract en wat zijn de fiscale gevolgen van deze bescherming ? Desgewenst staan wij u graag bij in deze oefening : neemt u gerust contact met ons team Estate Planning via robby.ackermans@sherpalaw.be, peter.meeuwssen@sherpalaw.be, dirk.degroot@sherpalaw.be

De burgerlijke maatschap en het ondernemingsrecht: belangrijke wijzigingen

De wet van 15 april 2018 over de hervorming van het ondernemingsrecht werd op 27 april gepubliceerd in het staatsblad.

Deze wet brengt een aantal wijzigingen aan in het wetboek van vennootschappen en in het wetboek van economisch recht en treedt in werking op 1 november 2018. Ook voor de maatschappen zal er één en ander veranderen. Daarover berichten wij u graag reeds beknopt en in afwachting van verdere verduidelijkingen.

a) Wijzigingen in het wetboek van vennootschappen

Een eerste terminologische wijziging bestaat erin dat de maatschap in het Frans niet langer “Société de droit commun” zal heten, maar wel “société simple”.

Van groter belang kan de afschaffing zijn van het onderscheid tussen de vennootschappen met handelsdoel en de vennootschappen met burgerlijk doel ; ook het onderscheid tussen de commerciële en de burgerlijke maatschap valt weg. Ten gevolge daarvan zullen de vennoten van een maatschap hoofdelijk verbonden blijven jegens derden voor alle schulden van de maatschap.

b) Wijzigingen in het wetboek van economisch recht (WER)

Terwijl de burgerlijke maatschap voorheen niet als een “onderneming” beschouwd werd, verandert dit met het nieuwe recht ; maatschappen zullen voortaan “ondernemingen” zijn. Dit heeft een aantal gevolgen die op vrij korte termijn voelbaar zullen zijn onder de vorm van nieuwe verplichtingen die op de (zaakvoerders van) maatschappen zullen rusten.

B1 – Inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO)

Vanaf 1 november zullen nieuwe maatschappen zich voor de aanvang van hun activiteit moeten registreren bij de KBO, via een ondernemingsloket.

Maatschappen die reeds bestaan, kunnen echter nog even wachten ; zij dienen zich te registreren in de KBO uiterlijk 30 april 2019 (tenzij de Koning alsnog zou beslissen deze datum te vervroegen…).

B2 – Onderwerping aan boekhoudkundige verplichtingen

Voortaan zullen maatschappen verplicht zijn een boekhouding te voeren ; dat kan volgens vereenvoudigd schema, indien hun omzet minder bedraagt dan 500.000 EUR. Overstijgt de omzet dit grensbedrag, dan wordt een volledige dubbele boekhouding verplicht. Uit onze praktijk weten wij dat vele maatschappen vandaag reeds een eenvoudige boekhouding voeren en een jaarrekening opstellen. Mogelijks volstaan enkele kleine ingrepen om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen.

De nieuwe verplichting geldt vanaf 1 november 2018, behoudens voor bestaande maatschappen ; zij dienen aan deze verplichting te voldoen vanaf het eerste volledige boekjaar dat aanvangt na het verstrijken van een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf 1 november 2018. Voor de maatschappen die een boekjaar voeren volgens het kalenderjaar, is het eerste “boekhoudplichtige” jaar aldus 2020 (behoudens andere datum bij koninklijk besluit).

Het is niet duidelijk of de maatschappen hun jaarrekening ook zullen moeten publiceren ; artikel III.90 van het WER verwijst op een onduidelijke manier terug naar het wetboek van vennootschappen. In ieder geval staat het vast dat het wetboek van vennootschappen de verplichting tot publicatie enkel oplegt aan de rechtspersonen, en derhalve niet aan de maatschappen, zodat wij voorlopig aannemen dat er ook in het nieuwe recht geen publicatieverplichting zal gelden.

c) Besluit

Het staat vast dat deze nieuwe wetgeving zich zal doen voelen in de praktijk van de maatschap. Het spreekt dat wij dit op de voet blijven volgen en onze cliënten tijdig blijven adviseren met betrekking tot de wijze waarop dit alles in hun bestaande of nieuw op te richten maatschap moet toegepast worden.

Wie reeds vragen heeft kan ons team Estate Planning contacteren via robby.ackermans@sherpalaw.be, peter.meeuwssen@sherpalaw.be, dirk.degroot@sherpalaw.be.

Administratie legt zich voorlopig neer bij de rechtspraak omtrent de kosteloze terbeschikkingstelling van onroerende goederen aan werknemers of bedrijfsleiders

De FOD Financiën publiceerde gisteren, 15 mei 2018, een circulaire 2018/C/57 met betrekking tot de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard voor de kosteloze terbeschikkingstelling van een onroerend goed of een gedeelte van een onroerend goed aan werknemers of bedrijfsleiders.Wij verwijzen ter zake dan ook naar onze eerdere nieuwsberichten op onze website.

De forfaitaire raming van deze voordelen is vastgelegd door het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92). De hoven van beroep van Gent en Antwerpen bevestigden recent dat het onderscheid in de berekening van het belastbaar voordeel naargelang dat voordeel wordt toegekend door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon, ongrondwettelijk is. Om die verschillende behandeling weg te werken, moet artikel 18, § 3, 2 KB/WIB 92 worden aangepast. Momenteel wordt bekeken hoe dat best kan gebeuren.

In afwachting van dit wetgevend ingrijpen beslist de fiscus nu om de voormelde rechtspraak te volgen.

In het geval dat een rechtspersoon een woning ter beschikking stelt aan een werknemer of een bedrijfsleider zal het belastbaar voordeel bijgevolg worden geraamd op 100/60 van het geïndexeerd kadastraal inkomen van die woning, in voorkomend geval verhoogd met 2/3 wanneer het een gemeubileerde woning is.

De fiscus bevestigt verder dat voor wat betreft de behandeling van bezwaarschriften en de rechtsprocedures die daaruit zijn voortgevloeid, akkoord kan worden gegaan dat bij de berekening van een voordeel van alle aard voor de terbeschikkingstelling van een onroerend goed of een gedeelte daarvan toepassing wordt gemaakt van artikel 18, § 3, 2, eerste lid, KB/WIB 92, ongeacht de persoon die het onroerend goed ter beschikking stelt.

Minder evident is dat de fiscus in dezelfde circulaire aangeeft dat vragen tot ontheffing van ambtswege zullen worden afgewezen. Een verzoek tot ambtshalve ontheffing kan worden ingediend binnen de vijf jaar te rekenen vanaf één januari van het aanslagjaar onder meer in het geval zich een nieuw feit voordoet waarvan het laattijdig inroepen door gewettigde redenen wordt verantwoord. Volgens de fiscale administratie wordt een wijziging in de jurisprudentie niet als nieuw gegeven beschouwd. En dus kan men zich niet beroepen op voormelde rechtspraak om – zelfs na het verstrijken van de gewone bezwaartermijn – een verzoek tot ambtshalve ontheffing in te dienen.

Dit laatste punt is toch enigszins voor betwisting vatbaar.

De wet stelt weliswaar dat een “wijziging van jurisprudentie” niet als een nieuw feit kan beschouwd worden, maar volgens vaststaande rechtspraak geldt dit niet voor arresten van het Grondwettelijk Hof. Dergelijke arresten kwalificeren dus wel als een “nieuw feit” op grond waarvan een ambtshalve ontheffing kan gevraagd worden. 

 Er zou kunnen geargumenteerd worden dat dezelfde redenering opgaat voor de aangehaalde arresten van de hoven van beroep, aangezien de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard niet is opgenomen in het Wetboek Inkomstenbelastingen zelf, maar in artikel 18 van het uitvoeringsbesluit. Aangezien het niet mogelijk is om de rechtsgeldigheid van een Koninklijk Besluit te laten toetsen door het Grondwettelijk Hof (het Hof is enkel bevoegd om wetskrachtige normen te toetsen), zijn de rechtbanken en hoven op grond van artikel 159 G.W. verplicht om zelf de wettigheid te toetsen van de bepalingen van een Koninklijk Besluit. In deze context, m.n. het toetsen van de rechtsgeldigheid van een bepaling van een Koninklijk Besluit aan de Grondwet, zou kunnen verdedigd worden dat een arrest van bv. een hof van beroep dat een uitspraak doet over de wettigheid van een Koninklijk Besluit kan gelijkgesteld worden met een arrest van het Grondwettelijk Hof.

De Minister van Financiën heeft overigens een tijd geleden in antwoord op een parlementaire vraag gesteld dat de jurisprudentie waarnaar artikel 376, §2 WIB 92 verwijst enkel bestaat uit de interpretatie en toepassing van wettelijke bepalingen waarvan de geldigheid niet wordt betwist. Beslissingen over de rechtsgeldigheid van de wet zelf zouden om die reden geen deel uit maken van de door artikel 376, §2 WIB 92 geviseerde jurisprudentie. Ook op basis van deze parlementaire vraag kan o.i. dus geargumenteerd worden dat de betrokken arresten een “nieuw feit” uitmaken daar zij niet uitgesloten worden door artikel 376, §2 WIB 92 als een “wijziging van jurisprudentie”.

Indien u verdere vragen zou hebben, aarzel niet contact op te nemen met de leden van ons Tax Litigation team (Jo Roseleth, Alain Claes, Kim Roelants & Jelena Vukobratovic)

Brussel 16  mei 2018

Wordt de fiscaal adviseur (alsnog) een verklikker?

Accountancy & Fiscaliteit, 2018, nr. 15, 19/4/2018

Diverse internationale initiatieven zullen vermoedelijk op korte termijn impact hebben in België. Vooreerst is er een vernieuwd OESO-initiatief in voorbereiding, maar naast het OESO-initiatief is het nu de Europese Unie die het voortouw neemt. Op 13 maart 2018 heeft de Europese Unie immers een politiek akkoord bereikt voor de wijziging van de Richtlijn 2011/16/EU van de Raad betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen (DAC), dit door het toevoegen van bepalingen in verband met de automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies. Deze uitwisseling vereist uiteraard dat er eerst een meldingsplicht komt voor tussenpersonen. De Belgische regering heeft, zelfs vóór publicatie van de richtlijn zelf, nu al gemeld snel werk te willen maken van de implementatie van deze richtlijn. Alle transacties vanaf 1 juli 2018 zouden volgens de persberichten geviseerd worden.

Alain Claes, advocaat-vennoot Sherpa Law

Oud FTA-initiatief nieuw leven ingeblazen door de OESO

Bijna 10 jaar geleden publiceerde ik al een bijdrage onder de titel “Wordt de fiscale adviseur een verklikker?”1 . De daaropvolgende jaren bleek het idee evenwel weer van de radar verdwenen, zodat de oorspronkelijke vrees enigszins ongegrond leek. Maar alle ‘schandalen’ rond Paradise en andere papers, hebben ook op dit gebied tot nieuwe initiatieven geleid.

In 2006 had het Forum of Tax Administrations (FTA) al het idee geopperd van wat een “enhanced relationship” werd genoemd. Men beoogde een “versterkte verhouding” tussen de belastingplichtige, de fiscale tussenpersonen en de fiscale administraties.2 In de “versterkte relatie” beoogde men te komen tot een vertrouwensrelatie tussen alle betrokken partijen en trachtte men hiervoor tools en technieken aan te reiken. In zo’n relatie zou de belastingplichtige (veel) opener zijn over de fiscale onzekerheden en vooraf de fiscale risico’s van de door hem verrichte handelingen melden. Het is van belang erop te wijzen dat dit werkdocument ervan uitging dat belastingplichtigen enkel bereid zouden kunnen worden gevonden om zich deze handelswijze eigen te maken indien er voldoende tegenprestaties vanuit de fiscale administratie zouden komen. De studiegroep ziet hier dan ook vijf vereisten die moeten worden vervuld door de administratie: (1) commerciële ingesteldheid; (2) een onpartijdige benadering; (3) evenredigheid; (4) openheid en informatie en tenslotte (5) aanspreekbaarheid en snelheid. Een wederzijdse win-winsituatie dus.

In het kader van deze “versterkte relatie” tussen belastingplichtige en administratie zou er een belangrijke taak zijn weggelegd voor de fiscale tussenpersoon. Deze taak zou erin bestaan om deze nieuwe houding voor de belastingplichtige te faciliteren en als tussenschakel te dienen tussen cliënt en fiscale administratie. Tijdens de totstandkoming van dit werkdocument werd reeds door verschillende beroepscategorieën, die optreden als fiscale tussenpersoon, geopperd dat dergelijke verregaande informatieuitwisseling strijdig zou zijn met hun wettelijke en deontologische verplichtingen om enkel te handelen in het belang van hun cliënt. De vertrouwensrelatie met de cliënt zou bovendien ook ernstig in het gedrang kunnen komen. Er werd dan ook gewag gemaakt van “fiscale spionage”.3

Bij de OESO werd dit voormalige FTA-initiatief al voor de eerste maal nieuw leven ingeblazen in het kader van de BEPS-initiatieven. In 2015 verscheen reeds een rapport over Actie 12 (Mandatory Disclosure Rules).4 In dit rapport werden verschillende opties beschreven over hoe dergelijke tax mandatory disclosure rules zouden kunnen worden vormgegeven. Opmerkelijk is wel dat er van een wederzijdse “versterkte relatie” bijna geen melding meer werd gemaakt. Men voorziet enkel nog in verplichtingen van de fiscale adviseur, maar wat de verplichtingen van de fiscale administraties zijn wordt niet langer benadrukt.

In 2018 heeft de OESO opnieuw initiatief genomen. De OESO startte immers een publieke consultatie over “Model Mandatory Disclosure Rules for CRS Avoidance Arrangements and Opaque Offshore Structures”.5 Vermits dit evenwel nog in ontwerpfase is, zullen we ons hieronder focussen op de nieuwe concrete Europese initiatieven.

Maar Europese Unie neemt initiatief over

De Europese Commissie heeft zich laten inspireren door voormelde BEPS-actie 12 om zelf initiatieven te nemen. Reeds op 21 juni 2017 had zij een voorstel6 gelanceerd om de administratieve samenwerking (Richtlijn 2011/16/EU)7 ook uit te breiden met de uitwisseling van informatie over meldingsplichtige constructies.

Dergelijke uitwisseling vereist uiteraard dat er eerst regels worden vastgelegd voor de verplichte melding aan nationale bevoegde autoriteiten van mogelijk agressieve fiscale planningregelingen met een grensoverschrijdend element (“constructies”) door de “intermediairs” (bv. belastingadviseurs of andere actoren die doorgaans betrokken zijn bij het bedenken, aanbieden, opzetten of beheren van de implementatie van dergelijke “constructies”). Hoe deze gegevens nadien zullen worden uitgewisseld tussen de administraties, is minder relevant voor de adviseur zelf. We zullen ons hieronder dan ook focussen op de meldingsplicht zelf.

Het is over dit initiatief dat er op 13 maart 2018 een politiek akkoord werd bereikt, waardoor de publicatie van de richtlijn nakend is. De Europese Raad zal dit akkoord bevestigen zodra alle vertalingen in de officiële taalversies zijn goedgekeurd en dan kan de richtlijn gepubliceerd worden. Het akkoord voorziet dat de lidstaten tijd krijgen tot 31 december 2019 om deze gewijzigde richtlijn in hun nationale wetgeving te implementeren. De meldingsverplichting zou dan gelden vanaf 1 juli 2020. De eerste uitwisseling zou dan kunnen plaatsvinden vanaf 31 oktober 2020 en nadien elke drie maanden.

Het zijn deze nieuwe Europese regels die we hierna kort toelichten.

Wie moet er melden?

Het zijn de tussenpersonen die in principe de constructies moeten melden. Een tussenpersoon (“intermediair” genoemd in de (voorlopige?) gebrekkige Nederlandse vertaling) is een persoon die een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie bedenkt, aanbiedt, opzet, beschikbaar maakt voor implementatie of de implementatie ervan beheert.

Ook de personen die, gelet op de betrokken feiten en omstandigheden en op basis van de beschikbare informatie en de deskundigheid en het begrip dat nodig is om die diensten te verstrekken, weet of redelijkerwijs kon weten dat zij hebben toegezegd rechtstreeks of via andere personen hulp, bijstand of advies te verstrekken met betrekking tot het bedenken, aanbieden, opzetten, beschikbaar maken voor implementatie of beheren van de implementatie van een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie, worden geviseerd. Elke persoon heeft het recht bewijs te leveren van het feit dat deze persoon niet wist en redelijkerwijs niet kon weten dat deze persoon bij een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie betrokken was. Daartoe kan een persoon alle relevante feiten en omstandigheden, beschikbare informatie en de relevante deskundigheid en het relevante begrip ervan vermelden.

Maar om werkelijk meldingsplichtige te zijn, moeten er echter ook secundaire voorwaarden voldaan zijn. De tussenpersoon dient ten minste een van de volgende aanvullende voorwaarden te vervullen: (i) fiscaal inwoner van een lidstaat zijn of (ii) beschikken over een vaste inrichting in een lidstaat via welke de diensten in verband met de constructie worden verleend of (iii) opgericht zijn in of onder de toepassing van de wetten vallen van een lidstaat of (iv) ingeschreven zijn bij een beroepsorganisatie in verband met de verstrekking van juridische, fiscale of adviesdiensten in een lidstaat. Vermits maar een van die voorwaarden vervuld moet zijn, lijkt het dus geenszins vereist dat men ook (al dan niet erkend) beroepsbeoefenaar is. Het volstaat bijvoorbeeld om inwoner te zijn om te moeten melden als men constructies bedenkt. Zelfs de fiscale hobbyist wordt blijkbaar geviseerd in de richtlijn.

Indien er meerdere tussenpersonen betrokken zijn bij een meldingsplichtige constructie, moeten zij in principe allemaal melden, tenzij zij kunnen aantonen dat een van hen de nodige meldingsplicht al vervuld heeft.

Wat moet er gemeld worden?

Het moge duidelijk zijn, het gaat hier niet over fiscale fraude of belastingontduiking (niettegenstaande de overwegingen bij de richtlijn soms verwarring lijken te willen zaaien). De geviseerde maatregelen viseren enkel belastingontwijking en agressieve fiscale planning. Deze meldingsplichten hebben dus geen betrekking op illegale activiteiten of de opbrengsten daarvan. Zij betreffen in se legale verrichtingen die geen inbreuk uitmaken op een formele wet of voorschrift. Dit is ook logisch, vermits indien er sprake zou zijn van fiscale misdrijven enige meldingsplicht per definitie in strijd lijkt met het verbod op zelfincriminatie.

Volgens Europa zouden de nieuwe maatregelen in de eerste plaats gericht moeten zijn op de goede werking van de interne markt, zodat het zaak is op Unie-niveau geen voorschriften vast te stellen die verder gaan dan nodig is om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken. Daarom dienen gemeenschappelijke voorschriften inzake melding uitsluitend te gelden voor “grensoverschrijdende” situaties, dat wil zeggen situaties in meer dan één lidstaat of een lidstaat en een derde land. Er wordt echter wel direct opgemerkt in de richtlijn dat een lidstaat ook verdere soortgelijke rapportagemaatregelen zou kunnen treffen op nationaal niveau, maar inlichtingen die zijn verzameld in aanvulling op de te melden inlichtingen uit hoofde van de richtlijn, dienen niet automatisch te worden gemeld aan de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten. Die inlichtingen kunnen op verzoek dan wel spontaan worden uitgewisseld volgens de geldende regels.

Omdat de vermeende agressieve fiscale planningconstructies steeds verfijnder worden, en zij ook constant gewijzigd en aangepast worden in reactie op defensieve tegenmaatregelen van de belastingautoriteiten, is de Europese Unie van oordeel dat het doeltreffender is om te proberen grip te krijgen op mogelijk agressieve fiscale constructies door een lijst samen te stellen van de kenmerken en elementen van transacties die een sterke aanwijzing voor belastingontwijking of -misbruik vormen, dit eerder dan een definitie te geven van agressieve fiscale planning. Deze aanwijzingen worden in de richtlijn “wezenskenmerken” genoemd (slechte vertaling van “hallmarks”, misschien beter als ‘knipperlichten’ te omschrijven).

Iedere grensoverschrijdende constructie die ten minste één van de in bijlage IV bij de richtlijn vermelde wezenskenmerken bezit, is meldingsplichtig.

Bij de richtlijn zijn er meerdere lijsten van “wezenskenmerken” gevoegd (algemene wezenskenmerken van categorie A en specifieke wezenskenmerken van categorieën B tot en met E). Voor de meeste van deze wezenskenmerken (enkel voor categorie C zijn er enkele uitzonderingen) moet de zogenaamde “main benefit test” (letterlijk vertaald als “toets belangrijkste voordeel”) voldaan zijn. Aan de toets is voldaan indien kan worden aangetoond dat het belangrijkste voordeel (of een van de belangrijkste voordelen) dat, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden, redelijkerwijs te verwachten valt van een constructie het verkrijgen van een belastingvoordeel is (m.a.w. men heeft eigenlijk vooral een fiscaal oogmerk).

De algemene wezenskenmerken van categorie A kunnen samengevat worden als een constructie waarbij er voorzien is in een geheimhoudingsclausule, een succes fee of als er gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde documenten. De specifieke wezenskenmerken van categorieën B en C omvatten bijvoorbeeld het gebruik van verlieslijdende ondernemingen, lager belaste inkomstencategorieën, gebruik van tussengeschoven entiteiten zonder primair handelsdoel of transacties die elkaar compenseren, betalingen tussen verbonden ondernemingen waarbij de ontvanger in laagbelaste rechtsgebieden is gevestigd, constructies om CRS te vermijden, gebruik van niet-transparante entiteiten, bepaalde verrekenprijzenconstructies … Veel van deze knipperlichten lijken eerder geïnspireerd op voorheen toegepaste planningstechnieken die thans meestal tot het verleden behoren.

Wanneer moet er gemeld worden?

De tussenpersonen zijn verplicht aan de bevoegde autoriteiten inlichtingen over meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies waarvan zij kennis, bezit of controle hebben, te verstrekken binnen 30 dagen te rekenen vanaf a) de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie voor implementatie beschikbaar is gesteld, of b) de dag nadat de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie voor implementatie gereed is, of c) het ogenblik waarop de eerste stap in de implementatie van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie is ondernomen, naargelang wat het eerste plaatsvindt.

De tussenpersonen zijn tevens verplicht inlichtingen te verstrekken binnen 30 dagen te rekenen vanaf de dag waarop zij, rechtstreeks of via andere personen, hulp, bijstand of advies hebben verstrekt.

Indien er sprake is van een zogenaamde “marktklare constructie” (d.i. een grensoverschrijdende constructie die is bedacht of aangeboden, implementeerbaar is of beschikbaar is gemaakt voor implementatie zonder dat er wezenlijke aanpassingen nodig zijn) of standaardoplossing, moet er bovendien door de tussenpersonen ook om de drie maanden een periodiek verslag worden opgesteld (de facto blijkbaar een lijst van alle nieuwe belastingplichtigen die ook voor de implementatie van die constructie opteren).

Merk overigens op dat iedere lidstaat ook de noodzakelijke maatregelen kan nemen om te eisen dat iedere betrokken belastingplichtige aan de belastingdienst inlichtingen verstrekt over het gebruik dat hij van de constructie maakt voor ieder jaar waarin hij er gebruik van maakt (een soort opvolgingsmelding dus).

Is beroepsgeheim geen belemmering?

Iedere lidstaat kan de noodzakelijke maatregelen nemen om tussenpersonen het recht op ontheffing van de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen over een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie te verlenen, wanneer de meldingsplicht een inbreuk zou vormen op het wettelijke verschoningsrecht conform het nationale recht van die lidstaat. Gelet op het bestaande beroepsgeheim van de meest voor de hand liggende beoogde beroepsbeoefenaars (revisoren, belastingconsulenten, accountants, advocaten …) ligt het voor de hand dat de Belgische wetgever van de mogelijkheid noodzakelijkerwijs gebruik zal moeten maken.

Indien het beroepsgeheim de melding verhindert door de tussenpersoon, moet iedere lidstaat de noodzakelijke maatregelen nemen om de tussenpersonen te verplichten iedere andere tussenpersoon of, bij gebreke daarvan, de betrokken belastingplichtige zelf onverwijld in kennis te stellen van zijn openbaarmakingsverplichtingen (in die hypothese moet immers ofwel de andere tussenpersoon of de betrokken belastingplichtige zelf melden).

Deze laatste verplichting roept twee ernstige bedenkingen op. Ten eerste lijkt het onmogelijk dat een tussenpersoon die een beroepsgeheim heeft de mogelijkheid zou hebben om een andere tussenpersoon (die dan blijkbaar geen beroepsgeheim zou hebben) te informeren. Ook deze melding zou immers een inbreuk uitmaken op het beroepsgeheim van de eerste tussenpersoon. Ten tweede stelt zich de vraag hoe deze melding aan de betrokken belastingplichtige zelf nadien kan worden bewezen door de betrokken tussenpersoon zonder opnieuw inbreuk te maken op het beroepsgeheim.

Wat als men niet meldt?

Om de kans dat deze richtlijn doeltreffend is te vergroten, dienen de lidstaten sancties vast te stellen voor overtredingen van de nationale omzettingsbepalingen. Bovendien moeten zij erop toezien dat deze sancties ook werkelijk worden toegepast, dat ze evenredig zijn en een ontradend effect hebben.

Wat heeft u aan een melding ?

Opnieuw in tegenspraak met de oorspronkelijke gedachte, wordt uitdrukkelijk vermeld dat de betrokken belastingplichtige geen enkel voordeel haalt uit de melding (behoudens het vermijden van een sanctie). Indien een belastingdienst niet reageert op een meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie, impliceert dit immers niet dat de geldigheid of fiscale behandeling van deze constructie wordt aanvaard.

Is dit allemaal noodzakelijk en proportioneel?

Gelet op het eenzijdige karakter van de maatregel kunnen er ernstige vragen worden gesteld bij de noodzakelijkheid en de proportionaliteit van dit bijkomende instrument. Deze maatregelen zijn opnieuw een illustratie van de voortschrijdende verschuiving van de aandacht van de individuele rechtsbescherming en de privacy naar het belang van de collectiviteit bij wat wordt vooropgesteld als een vermeende “juiste” of “rechtvaardige” belastingheffing. Hierbij wordt nog nauwelijks een onderscheid gemaakt tussen (niet-strafbare en nog steeds toegelaten) belastingontwijking en (strafbare) belastingontduiking en witwassen. In plaats van het privatiseren van de fiscale controle, zouden de Europese en Belgische wetgever en de betrokken fiscale administraties beter efficiënter gebruik maken van alle middelen in de strijd tegen de fiscale fraude en betwiste fiscale planning waarover zij de laatste jaren in toenemende mate beschikken. Deze bijkomende maatregel lijkt onnodige overkill en getuigt van een verregaand wantrouwen in de eigen wetgeving. Zoals hierboven reeds gemeld, betreft het hier geenszins een maatregel tegen fiscale fraude, maar wel een strijd tegen belastingontwijking. In de mate dat deze overdreven agressief zou zijn, lijkt de kans reëel dat de bestaande antimisbruikmaatregelen reeds ruimschoots volstaan.

Uitkijken naar Belgische implementatie

Iedere lidstaat moet de noodzakelijke maatregelen nemen om tussenpersonen en betrokken belastingplichtigen te verplichten inlichtingen te verstrekken over meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies waarvan de eerste stap is geïmplementeerd tussen de datum van inwerkingtreding en de datum van toepassing van deze richtlijn. De tussenpersonen en, in voorkomend geval, de betrokken belastingplichtigen verstrekken inlichtingen over die meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies uiterlijk 31 augustus 2020. Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Vermits er nog geen publicatie is, is deze datum van inwerkingtreding nog niet bekend.

Uit recente persberichten blijkt duidelijk dat de Belgische wetgever weer wil tonen de beste leerling van de klas te zijn. De regering zal zeker het nodige doen om de verrichtingen verplicht te melden vanaf 2020, maar men zou wel alle verrichtingen viseren die reeds vanaf 1 juli 2018 worden opgezet (de wetgever hoopt dus dat publicatie zal gebeuren van de richtlijn uiterlijk op 10 juni 2018). De facto heeft de richtlijn dus al invloed op alle verrichtingen vanaf 1 juli 2018, zij het dat deze wel pas in 2020 zullen worden gemeld.

Bovendien lijkt uit de persberichten dat men enkel de cijferberoepen en advocaten zou viseren, wat duidelijk beperkter is dan de richtlijn zelf. Efficiëntie zou dan vereisen dat men fiscaal advies ook zou beperken tot deze categorieën en dus een nieuw monopolie installeert op fiscaal advies (mogelijk is dit laatste weliswaar wel de stille wens van een aantal actoren). Het zijn evenwel vooral de voornoemde beroepsbeoefenaars die geconfronteerd worden met een beroepsgeheim en dus het minst in aanmerking komen om te melden.

Er dient bovendien op te worden gewezen dat het beroepsgeheim voor alle betrokkenen niet identiek is. Het beroepsgeheim voor advocaten heeft een veel ruimere slagkracht omdat het zijn grondslag vindt in de rechten van de mens (o.a. de rechten van verdediging) en dus niet mag worden bepaald/beperkt door nationale wetsbepalingen.

Het wordt dus met de nodige wantrouwigheid uitkijken naar de Belgische implementatie van deze verregaande maatregel.

 

1 A. CLAES, “Wordt de fiscale adviseur een verklikker?”, in Fiscaal Praktijkboek 2007-2008. Directe belastingen. DECNIJF H. (ed.), Antwerpen, Kluwer 2008, 105-135.

2 OECD Tax Intermediaries Study – Working Paper 6 “The Enhanced Relationship”, p. 31 (versie juli 2007).

3 Zie Editoriaal van Prof. F. VANISTENDAEL, “Fiscale spionage”, AFT 2007, nrs. 8-9, 1-2.

4 OECD/G20 Base Erosion and Profit Shifting Project, Mandatory Disclosure Rules. Action 12: 2015 Final Report., 102 p.

5 OECD, Model Mandatory Disclosure Rules for CRS Avoidance Arrangements and Opaque Offshore Structures., 47 p.

6 Doc. 10582/17 FISC 149 ECOFIN 572 IA 115 + ADD 1, ADD2, ADD 3.

7 Richtlijn 2011/16/EU van de Raad betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen, PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1, zoals gewijzigd.

Vijfde antiwitwasrichtlijn goedgekeurd!

Op 19 april 2018 heeft het Europees Parlement in Straatsburg de herziening goedgekeurd van de Vierde Antiwitwasrichtlijn. Publicatie hiervan wordt voorzien in de loop van de volgende maanden. Implementatie zal vereist zijn uiterlijk eind 2019.

Wat zijn de belangrijkste wijzigingen die inbegrepen zijn in deze Vijfde antiwitwasrichtlijn:

  • Het UBO-register (dat in België verwacht wordt tegen juli 2018) zal publiekelijk toegankelijk moeten zijn. Zij die toegang wensen zullen wel een gerechtvaardigd belang moeten kunnen aantonen (bijvoorbeeld voor NGO's, onderzoeksjournalisten...).
  • De diverse nationale UBO-registers zullen met elkaar verbonden worden opdat ook buitenlandse gegevens kunnen opgevraagd worden.
  • Indien de werkelijke UBO niet kan achterhaald worden en er dus enkel kan teruggevallen worden op de bestuurders van structuur, zal dit expliciet moeten vermeld worden in het UBO-register.
  • Er moet een register komen per lidstaat van alle bankrekeningen en bankkluizen. Later zullen deze diverse registers ook met elkaar moeten verbonden worden.
  • Publieke autoriteiten moeten vrij toegang krijgen tot de informatie inzake het bezit van onroerend goed.
  • Een strengere beoordeling van de derde landen om te oordelen of zij al dan niet een verhoogd risico vormen op witwassen (beschikbaarheid van informatie over UBO, mogelijkheid tot sanctionering inzake witwassen en melding van verdachte transacties).
  • Uitbreiding van het toepassingsgebied van de preventieve antiwitwaswetgeving tot alle vormen van fiscaal advies, verhuuragenten, vrijhavens, kunsthandelaren, elektronische portefeuille beheerders en dienstverleners inzake virtuele munten.
  • De zelfgereguleerde beroepen zullen meer informatie moeten verschaffen over de ontvangen meldingen van verdachte transacties, de doorgestuurde meldingen, schendingen en sancties bij niet naleven van witwasverplichtingen.
  • Betere samenwerking tussen de financiële intelligentie eenheden (FIU) onderling en met de toezichthoudende autoriteiten van de financiële sector.
  • Bescherming van de klokkenluiders tegen discriminatie op de werkvloer en bescherming van hun identiteit.
  • Uitbreiding van de rapporteringsverplichtingen van de FIU's over de uitwisseling van informatie met andere landen, het aantal controles ter plaatse, vastgestelde overtredingen en sancties.
  • Rapporteringsverplichting voor de Europese Commissie over de stappen die lidstaten zetten bij klachten over niet naleving verplichtingen, over de gebrekkige implementatie van de richtlijnen en over de mogelijke verbeteringen tot samenwerking.
  • Publicatieverplichting inzake de Europese en nationale risico-analyses.
  • Derde landen die wensen toe te treden tot de Europese Unie moeten eerst voldoen aan de standaarden inzake strijd tegen witwassen.
  • Verlaging van de drempel voor identificatie bij prepaid-cards.
  • Gelijkschakeling van de behandeling van politieke prominente personen (PEP) van derde landen en Europese landen.

Het moge duidelijk zijn dat de tendens tot uitbreiding en verfijning van de strijd tegen witwassen niet wordt gestopt.

De implementatie van de Vierde Richtlijn is nog maar recent gebeurd (Wet van 18 september 2017) en moet nog verwerkt worden door de betrokken beroepscategorieën of men mag zich al voorbereiden op de verdere stappen.

Voor meer informatie, contacteer Alain Claes

Julie Raymaekers vervoegt het Sherpa Law team.

Sherpa Law blijft groeien en breidt haar activiteiten verder uit. Met de toetreding van recent Mr. Dirk De Groot en nu ook Mr. Julie Raymaekers wordt de afdeling Estate Planning binnen Sherpa Law verder uitgebouwd.

Sherpa Law is een ondernemend advocatenkantoor dat zich specialiseert in fiscaal recht, vennootschapsrecht, ondernemingsrecht en vermogensrecht. Deskundigheid, duurzame waardecreatie en kennisdeling staan centraal in onze no-nonsense aanpak op maat van onze cliënten. Ondernemers en hun familie, hun ondernemingen en hun partners (Private bankers, boekhouders, accountants, bedrijfsrevisoren) worden vanuit een passie voor het vak bijgestaan door ervaren experts. Vanuit deze benadering is de verdere uitbouw van het expert center Estate Planning, een team dat in aantal leden en ervaring exponentieel stijgt, een logische volgende stap.

Julie Raymaekers behaalde in 2016 haar diploma Master in de Rechten aan de Vrije universiteit Brussel en specialiseerde zich verder in het fiscaal recht (ManaMa Fiscaal Recht aan de Universiteit Antwerpen - 2017).

Julie is ingeschreven aan de Balie van Antwerpen en zal zich toeleggen op de advisering en begeleiding van ondernemers en vermogende particulieren bij het uitwerken van hun vermogensplanning. Zij komt terecht in een bijzonder talentvolle groep van advocaten die met ongelofelijk veel deskundigheid en enthousiasme elke uitdaging van welke grootorde ook, aangaan.

Julie is te bereiken op julie.raymaekers@sherpalaw.be of 03/500.05.00

Voordeel alle aard huisvesting: hoger/lager? Wie niet graag gokt, denkt beter even na

In de vorige berichtgeving op onze website kwam de vele rechtspraak aan bod inzake de discriminatie met betrekking tot het voordeel van alle aard voor huisvesting. Meer bepaald betreft dit de ongelijke behandeling van dezelfde voordelen als het gaat om een terbeschikkingstelling door een eenmanszaak dan wel een terbeschikkingstelling door een vennootschap. In de meest courante gevallen is het voordeel vanwege een vennootschap fiscaal zomaar eventjes bijna viermaal duurder dan in vergelijking met het voordeel vanwege een eenmanszaak.

De hoven van beroep van Antwerpen en Gent hebben meermaals geponeerd dat dit onderscheid niet verantwoord is en dat bijgevolg ook voor vennootschappen rekening moet gehouden worden met het lagere voordeel van alle aard (van de eenmanszaak). Concreet komt het erop neer dat met vermenigvuldigingsfactor 1 moet worden rekening gehouden en niet met factor 3,8. Daardoor worden de meeste voordelen van alle aard plotseling viermaal minder duur tot zelfs soms spotgoedkoop.

De fiscus bleef lange tijd onbewogen bij de vrij vernietigende rechtspraak en het aantal dossiers dat voor deze rechtbanken moest komen bleef zich opstapelen. De verwachting was ook lange tijd dat de fiscus zich geen sportieve verliezer zou tonen en dat het wettelijke voordeel van alle aard van eenmanszaken en vennootschappen zou worden gelijkgeschakeld door de wetgever, zij het wel op het niveau van het hoogste voordeel van alle aard (factor 3,8). Op die manier zou de discriminatie ook worden weggewerkt en zou de schatkist geen nadeel lijden.

De Minister van Financiën gooide heel recent de handdoek in de ring, wat op zich (eindelijk) een terechte zienswijze is. Meteen wordt een wetgevend ingrijpen aangekondigd, met dien verstande dat de obligate verhoging naar factor 3,8 er volgens eerste berichten dan toch niet zou komen. In de media – aangezien er nog geen officiële stellingname is – werd zelfs gealludeerd dat de voordelen van alle aard zouden verlaagd worden.  De Minister zelf verwees naar "onrealistische voordelen van alle aard" en de nood om, na de verhoging ervan onder het bewind van Di Rupo, een algemene verlaging in te zetten.

In de praktijk zou een algemene verlaging naar factor 1 (die er misschien leek aan te komen na de eerste woorden van de Minister) erop neer komen dat bijna alle voordelen van alle aard gedecimeerd worden (deling door vier) waardoor zelfs kasten van villa’s in vele gevallen een voordeel van alle aard zouden krijgen dat als het ware gelijk is aan de huurprijs van een modale woonst. Weliswaar zou dit een welkome afwisseling zijn voor de ondernemers en de middenklasse die de laatste tijd veel het fiscale gelag hebben moeten betalen. Niettemin lijkt dit een beetje te veel van het goede zodat het weinig duurzaam lijkt. Bij een dergelijke wending staat het als het ware in de sterren geschreven dat deze regelgeving ooit – en wellicht sneller dan het licht – terug op de wetgevende tekentafel terecht komt.

Hierbij zijn er twee afgetekende nadelen:

1)     een nieuwe discussie zit er dan ook weer aan te komen, wetend dat betwistingen altijd nefast zijn en dit domein daar fiscaal zeker (en deels onterecht) onder te lijden heeft;

2)     Vastgoedplanning is bij uitstek een lange termijnplanning; het is echter zeer moeilijk plannen als men op voorhand weet dat de huidige regelgeving niet stabiel is en dus wijzigingen zal ondergaan.

Dergelijke "hort-en-stoot-regulering” is dan ook niet echt de beste vertoning van het apparaat dat zich met de kroon der rechtsstaat wel tooien (te vergelijken met de weinig professioneel ogende wispelturigheid van de autofiscaliteit).

In de media (E. Cleeren, “Kraai niet te snel victorie over villa op kosten van de zaak”, Tijd 31 maart 2018, p. 33-34) werd melding gemaakt van het feit dat de Minister nu alsnog enige slag om de arm blijkt te houden. Meer bepaald zou dit fenomeen volgens de Minister toch even bekeken worden door zijn administratie, allicht omwille van dezelfde oprispingen als hierboven vermeld en zoals reeds voorspeld in onze eerdere berichtgeving. Is deze gemiste belastingverlaging voor de ondernemers per definitie een slechte zaak? Afhankelijk van wat uit de bus komt, lijkt dit niet het geval, aangezien een te voordelige tarifering alleen de voorbode zou zijn van nog meer discussie en onzekerheid. Met enige omzichtigheid is het dan eerder positief te noemen dat het debat op voorhand wordt beslecht in plaats van na de feiten.

Waar kan de belastingplichtige zich aan verwachten? Een eerste idee is dat het huidige systeem van de kadastrale inkomens als basis voor de voordelen van alle aard volledig voorbijgestreefd is. De voordelen van alle aard verschillen immers teveel onderling, zodat vergelijkbare panden, in functie van regio, leeftijd, … toch een verschillend KI kunnen hebben. Een eerder opgelaten ballonnetje over de herschatting van alle kadastrale inkomens lijkt gemakkelijker gezegd dan gedaan. Om te beginnen zou een plaatsbezoek vereist zijn voor alle percelen die ons land rijk is. Deze oefening neemt de bijna mythische vormen aan van de Bijbelse volkstelling en lijkt op die basis alleen al louter theoretisch haalbaar. Bovendien is het effect van een herschatting ook politiek een portie dynamiet, aangezien zowel Jan-met-de-pet als Jan-met-de-Rolls getroffen kunnen worden. Zo betekent de verdubbeling van een kadastraal inkomen ook een verdubbeling van de onroerende voorheffing, wat bijvoorbeeld voor de eigenaar van een kleine arbeiderswoning de uitgave te veel kan zijn. De emotie rond de nieuwe regels van het klein beschrijf toont aan hoe electoraal zwaar dit weegt. Daarbij komt dat wat betreft het kleine beschrijf, de kandidaat-koper na het maken van zijn of haar rekening nog altijd kan afzien van de aankoop. Bij onroerende voorheffing is men reeds eigenaar van het pand en heeft men meestal weinig tot geen uitwijkmogelijkheden. Een dergelijke ingreep, zeker vlak voor de verkiezingen, behoort dan ook niet meteen tot de verwachtingen. Uiteraard zou men de beslissing ook enigszins kunnen katapulteren over de verkiezingen heen (een beproefde methode de laatste tijd). Vraag is echter of deze materie, gelet op de er op inhakkende rechtspraak, zo lang kan wachten.

Een tweede idee zou kunnen zijn om het systeem volledig los te koppelen van de kadastrale inkomens, om puur te blijven focussen op de voordeel van alle aard zonder andere collateral damage. Zo zou men bijvoorbeeld kunnen gaan werken met gebruik van de reële huurwaarde. Dit is echter technisch nog ingrijpender en kan nog meer aanleiding geven tot discussie (wat is de reële huurwaarde?). Op korte termijn zit het er dan wellicht ook niet aan te komen, zij het dat het geenszins uitgesloten is dat men op langere termijn hier naar toe werkt.

Het enige "knip-en-plak-alternatief" dat op korte termijn beschikbaar is, is waarschijnlijk de bijschaving van de bestaande formule op basis van het kadastraal inkomen. Een algemene nivellering naar factor 3,8 was lange tijd te verwachten maar is dat nu normaliter niet meer na de uitlatingen van de Minister. Een algemene toevlucht naar de factor 1 is allicht, zoals gezegd, ook wat van het goede te veel. Mogelijk is een terugkeer naar factor 2, het systeem van voor Di Rupo, nog het meest realistische en ook politiek meest betekenisvolle signaal. Het is in elk geval afwachten wat het finale verdict wordt.

De rode draad voor toekomstige projecten is aldus de volgende:

1)     Afwachten wat het officiële standpunt wordt;

2)     Niet hopen op een ultra laag voordeel van alle aard;

3)     Op termijn voorbereid zijn op een volledige hervorming van het voordeel van alle aard (bijvoorbeeld op basis van de reële huurwaarde).

Ondertussen zal de focus allicht blijven liggen op de problematiek van de aftrek van de ermee gepaard gaande kosten (zogenaamde bezoldigingstheorie). Voor de fiscus is het immers veel gemakkelijker aangezien het een veel juridischere problematiek is en veel minder feitelijk of grootschalig. Hierbij moeten twee opmerkingen worden gemaakt vanuit het perspectief van de belastingplichtigen:

1)     Een dossier moet eerst een goed geanalyseerd worden of die bezoldigingstheorie überhaupt wel toepasbaar is; zo ja, dan moet het dossier proactief goed onderbouwd worden om niet in de emotionele gehaktmolen van de recente rechtspraak terecht te komen;

2)     Emotioneel en conceptueel valt een niet-aftrekbaarheid zeer zwaar bij de belastingplichtigen, zij het dat men financieel-analytisch meer te winnen heeft bij niet-aftrekbare kosten, zeker gelet op de daling van de tarieven van de vennootschapsbelasting, indien deze gekoppeld zijn aan een laag voordeel van alle aard.

In elk geval moet men zijn blik voldoende ruimte houden en zich niet blindstaren op het voordeel van alle aard alleen. Vastgoedplanning en -fiscaliteit zijn immers bezig aan een rijpingsproces, getuige daarvan onder meer de evolutie inzake de waardering van vruchtgebruik. Het is het einde van een tijdperk waarin Jan en alleman met standaardoplossingen kan komen aandraven voor het fijne ragwerk van elk individueel en uniek dossier. Verschillende vragen moeten worden beantwoord, zoals onder meer de volgende:

1)     welk belang heeft de vennootschap bij de transactie?;

2)     waarom kiezen voor vruchtgebruik, opstal, … en niet iets anders?;

3)     is mijn zakelijke recht correct gewaardeerd?:

a.      opgepast met de parameters: een duidelijke shift in vastgoed is merkbaar (soms erg lokaal en segmentair) zodat men zich moet hoeden voor te gemakkelijke veralgemeningen of te eenvoudige parameters;

b.      de thematiek van de waarderingsmethode is ook een punt op zich;

4)     kan de fiscale aftrek theoretisch worden verantwoord en hoe wordt het dossier dan bijgevolg praktisch best opgebouwd?;

5)     Hoe gaan werken rond privaat gebruik?; nieuwe ideeën zien hier het levenslicht en zijn nodig om toekomstgericht te gaan plannen (survival of the fittest).

Zich vergapen aan de evolutie van het voordeel van alle aard, is aldus te fragmentair. Men redeneert dan immers op veel te korte termijn en vergeet het gros van de aandachtspunten. Een gezonde bedrijfseconomische insteek, voorzien van een uitgebreide technische kennis, zijn dan ook meer dan ooit een absolute noodzaak om problemen eerder te voorkomen dan te genezen.

Voor meer informatie, contacteer:

Robin Messiaen – robin.messiaen@sherpalaw.be (planning)

Alain Claes – alain.claes@sherpalaw.be (procedure)

Sherpa Law (Alain Claes) co-auteur Fiscaal Jaaroverzicht 2017 - incl. hervorming vennootschapsbelasting

Naar goede jaarlijkse gewoonte heeft de redactie van De Fiscale Koerier ook voor 2017 een overzicht gemaakt van de fiscale nieuwigheden en wijzigingen. In dit Fiscaal jaaroverzicht geven hoofdredacteur Stefan Sablon en zijn team een volledig overzicht van de nieuwe fiscale regelgeving van het afgelopen jaar, inclusief de eindejaarswetgeving. Alle nieuwigheden worden uitvoerig geanalyseerd en diepgaand becommentarieerd.

2017 was een uitschieter op fiscaal vlak, met als hoogtepunt natuurlijk het zomerakkoord en de daaruit voortvloeiende hervorming van de vennootschapsbelasting. In dit boek krijgt u hiervan een volledig overzicht, inclusief kritische analyses met veel oog voor de praktische implicaties.

Ook naast deze grote hervorming zijn veel nieuwigheden te melden, zoals de aangepaste autofiscaliteit, de uitbreiding van de flexijobs, de uitwisseling van inlichtingen, de versterking van de rol van de fiscale bemiddelingsdienst, de invoering van de effectentaks, de gewestelijke regularisaties enz. en ook de gewijzigde witwaspreventiewet.

Daarnaast maken de regionale overheden gretig gebruik van hun bevoegdheden om een eigen fiscaal beleid te voeren, zoals aanpassingen inzake OV in de drie gewenst en de talrijke nieuwigheden inzake successie- en registratierechten.

De verschillende fiscale overheden zorgden voor een uitzonderlijk druk fiscaal jaar. Het allesomvattend ‘Fiscaal jaaroverzicht’ is dan ook een absolute must have om helemaal bij te zijn.

  • alle fiscale nieuwigheden samengebracht in één boek: een uniek overzicht
  • topspecialisten uit de praktijk
  • met overzicht van de gecoördineerde nieuwe wetgeving

Voor meer info, klik hier

Professionele huur vanaf 1 oktober 2018 mogelijk met btw !

Het kabinet van Minister Van Overtveldt heeft meegedeeld dat de btw-regels inzake onroerende verhuur vanaf 1 oktober 2018 worden gewijzigd. Dit weekend zou hierover binnen de regering en in het kader van de begrotingscontrole een akkoord zijn bereikt.

Niettegenstaande dit voorstel al eerder op tafel lag bij het zomerakkoord, had het oorspronkelijk de eindmeet niet gehaald.

Maar nu komt het er toch nog van!

Deze nieuwe regelgeving kan enkel maar worden toegejuicht en vormt een welgekomen verrassing voor de vastgoedsector. Om de concurrentiehandicap met de buurlanden weg te werken, investeringen aan te moedigen en de btw-regelgeving verder te vereenvoudigen, is er beslist een optionele btw-heffing in te voeren voor de verhuur van professioneel gebruikte gebouwen of gedeelten van gebouwen.

De optie moet worden uitgeoefend door zowel de verhuurder als de btw-plichtige huurder. Maar de nieuwe regels gelden enkel voor nieuwbouwprojecten, met inbegrip van fundamentele vernieuwbouw. Deze regel zou vrij vrij streng worden ingevuld, enkel die projecten die na die datum pas zouden gepland worden (dus zelfs nu nog niet in ontwikkelings- of planningsfase zijn zouden in aanmerking komen).

Wordt gekozen voor dit stelsel, dan geldt een herzieningstermijn van 25 jaar.

Daarnaast wordt ook voorzien in een verplichte btw-heffing op de kortdurende verhuur van onroerende goederen met uitzondering van onroerende goederen die worden aangewend voor bewoning en voor handelingen van sociaal-culturele aard.

De definitieve teksten en de uitwerking ervan dienen nog even afgewacht te worden. Momenteel zijn er ons nog geen verdere details bekend, maar ons btw-team volgt dit uiteraard op de voet. Voor verdere vragen en bijstand, contacteer ons fiscaal departement.