Belgische pensioenspaarfondsen: bijkomend appeltje voor de dorst dankzij het Grondwettelijk Hof

Sinds 16 juli 2014 konden Belgische pensioenspaarfondsen en blijkbaar ook een aantal buitenlandse pensioenfondsen vaststellen dat roerende voorheffing (RV) werd ingehouden op de dividenduitkeringen van voormalige Belgische vastgoedbevaks, die inmiddels het statuut van gereglementeerde vastgoedvennootschappen hadden gekregen, daar waar die de jaren voordien bruto betaald werden, zonder RV.

De reden hiervoor was een nieuwe beperking aan de bevoegdheden van de Koning om vrijstelling van RV te verlenen (nieuw art. 266, 4° WIB 92).

De Koning was volgens dit artikel 266 WIB 92 al langer niet bevoegd  om vrijstelling van RV te verlenen voor interesten van zero- en kapitalisatiebons en ook niet voor de (laatste) coupon van vastgoedcertificaten die de gerealiseerde meerwaarde op het vastgoed bevat.  Sinds 16 juli 2014 was hij ook niet meer bevoegd om vrijstelling te verlenen voor inkomsten van aandelen van een gereglementeerde vastgoedvennootschap, met uitzondering van deze uitgekeerd door een institutionele gereglementeerde vastgoedvennootschap.

De bijkomende beperking van vrijstelling van RVvolgt uit artikel 95 van de wet van 12 mei 2014, dat dit nieuwe artikel 266,4° WIB 92 toevoegde.

Niet alleen golden hierdoor niet langer de vrijstellingen van RV op dividenden uit aandelen van alle gereglementeerde vastgoedvennootschappen die vallen onder het fiscale gunstregime van artikel 106, §§ 2, 6 en 7, van het KB/WIB 1992, maar bovendien gold voor deze dividenden ook niet meer de vrijstelling van artikel 115 KB/WIB 1992, voorzien voor roerende inkomsten die aan een Belgisch pensioenspaarfonds worden toegekend.

Deze nieuwe beperking van de bevoegdheid van de Koning werd inmiddels al teruggedraaid door de wet houdende fiscale en diverse bepalingen van 18 december 2015 (artikel 53).

Niettemin stond er in die wet van 2015 nergens dat deze terugdraaiing retroactief van toepassing was vanaf 16 juli 2014.  Er stelde zich dus nog altijd een probleem voor dividenden van gereglementeerde vastgoedvennootschappen, die in de periode van 16 juli 2014 tot 6 januari 2016 aan Belgische pensioenspaarfondsen toegekend werden, in die zin dat daarop RV werd ingehouden.

Het Grondwettelijk Hof heeft echter recent besloten dat  die beperking aan de bevoegdheid van de Koning een discriminatie inhoudt van gereglementeerde vastgoedvennootschappen ten opzichte van vastgoedbevaks ( Arrest nr. 63/2016 van 11 mei 2016).

Zij heeft het voornoemde artikel 95 van de wet van 12 mei 2014 dan ook vernietigd

Ofschoon in de beslissing van het Grondwettelijk Hof weliswaar enkel verwezen wordt naar artikel 106 §§ 2, 6 en 7 van het KB/WIB 1992, die niet betrekking hebben op de vrijstelling van RV voor Belgische pensioenspaarfondsen, is er wel een verband tussen dit vernietigde artikel 95en de niet toepassing van de vrijstelling van RV van artikel 115 KB/WIB 1992 op dividenden van gereglementeerde vastgoedvennootschappen toegekend aan Belgische pensioen-spaarfondsen.

Vermits Belgische pensioenspaarfondsen gemeenschappelijke beleggingsfondsen zijn en niet onderworpen zijn aan vennootschapsbelasting, konden zij die ingehouden RV nadien ook niet recupereren via de aanslag in de vennootschapsbelasting. 

Op basis van dit nieuwe feit, lijkt het perfect verdedigbaar dat zij de RV voor de betreffende periode kunnen terugvorderen via een bezwaarschrift omdat ook hier een ongelijke behandeling zich voordoet.

Sherpa Law kan bijstand verlenen bij het formuleren en het indienen van dit bezwaar.

 Dirk Coveliers

Advocaat-Vennoot