Beurstaks en roerende voorheffing op beleggingen zijn toe aan facelift / Opiniestuk in DE TIJD

Confrater Anton van Zantbeek heeft het bij het rechte eind wanneer hij schrijft dat de inning en aangifte van beurstaks op buitenlandse rekeningen een moeilijke klus zijn (De Tijd, 20 juni).

Strikt juridisch is het wel zo dat een Europese Richtlijn uit 1969, die inmiddels bijgewerkt is in een nieuwe versie van 2008, toelaat dat een Lidstaat een indirecte taks heft op de verhandeling van effecten.

Dat het geen eenvoudige klus is om deze aangifte en betaling te doen voor buitenlandse rekeningen, wordt grotendeels verklaard door het gebrek aan redelijke overgangsperiode die aan buitenlandse tussenpersonen wordt gegeven om deze taks te implementeren in hun IT-systeem of om de relevante informatie ter beschikking te stellen van hun Belgisch cliënteel.

De maatregel werd eind december 2016 gestemd en was al vanaf 1 januari 2017 van toepassing. In maart 2017 werd er uiteindelijk een respijt van vier maanden gegeven, maar deze termijn is veel te kort.

Sommige buitenlandse banken hebben het nog binnen deze korte tijdspanne kunnen programmeren in hun systeem, maar konden dan dikwijls beroep doen op de knowhow en technische ondersteuning van hun Belgisch filiaal of zusterbedrijf. Niettemin vreest men ook dan dat dit systeem nog niet helemaal performant is en dat bijsturingen nog nodig zullen zijn tijdens de volgende maanden.

Andere buitenlandse bankiers hebben een rapporteringssysteem uitgewerkt naar hun Belgische klanten, zodat die gemakkelijker de aangiften zelf kunnen indienen of kunnen laten indienen door een professionele derde.

Er komen dikwijls bijkomende administratieve formaliteiten bij kijken, die het geheel zwaar maken en ertoe leiden dat het voor velen een (utopische) sprint wordt om nog alles klaar te hebben voor 1 juli 2017.

1913

De complicaties vloeien voornamelijk voort uit het feit dat men een oude regelgeving naar het buitenland exporteert en de moderne financiële wereld instuurt. De beurstaks werd namelijk al in de Belgische wetgeving ingevoerd in 1913 (nog voor de Eerste Wereldoorlog). Sommige regels zijn echter totaal achterhaald. Zo is het opleggen van boetes wegens niet tijdige productie en aflevering van een borderel of afschrift totaal absurd. Destijds bestond het risico dat transacties niet steeds via het officieel bankcircuit gebeurden en bijgevolg zonder de productie van een borderel. Dit is volledig verleden tijd door allerlei (Europese) regelgevingen ter bescherming van de consument, denken we onder meer maar aan MiFID.

Eisen dat een buitenlandse tussenpersoon zo'n document per transactie genereert met vermelding van de Belgische beurstaks, houdt juridisch ook geen steek. Buitenlandse tussenpersonen kunnen overigens niet gehouden zijn door een Belgische wet.

Zwitserse bankiers riskeren bovendien een inbreuk te maken op de Zwitserse strafwet als zij deze taks inhouden en doorstorten aan de Belgische overheid, zonder hiertoe gemandateerd te zijn door de Belgische cliënt.

Overgangsperiode

Een gebrek aan een voldoende overgangsperiode en de export van een Belgo-Belgisch systeem in een andere omgeving en met een andere schuldenaar (namelijk de opdrachtgever zelf en niet de tussenpersoon) zijn dus de oorzaken van de problemen waarmee me nu geconfronteerd wordt.

Een soortgelijk operationeel onderscheid tussen Belgische en buitenlandse rekeningen en schuldenaar van de taks kennen we ook bij de toekenning van de roerende inkomsten. Op Belgische rekeningen wordt de RV doorgaans ingehouden door de Belgische bank, terwijl de belastingplichtige van een buitenlandse rekening die inkomsten zelf moet aangeven. Ook op dat vlak hebben de buitenlandse bankiers het laatste decennium vele inspanningen gedaan om aan Belgische klanten details te bezorgen van de inkomsten die zij in hun jaarlijkse aangifte personenbelasting moeten invullen. Deze taak is zeker niet gemakkelijker dan de rapportering voor de beurstaks, zeker niet wat opbrengsten uit fondsen betreft. Maar dit was een geleidelijke evolutie, terwijl de uitbreiding van de beurstaks naar het buitenland te abrupt verlopen is.

In feite zijn zowel de beurstaks als de roerende voorheffing op beleggingen aan een facelift toe. En dit vergt voornamelijk een 'click' bij sommige politici die niet willen raken aan deze regimes uit schrik om zo een vermogensregister in te voeren.

Zij zien niet in dat een vereenvoudiging van de beleggingsfiscaliteit niet noodzakelijk hoeft te leiden tot zo'n register, zolang er met een systeem van voorheffingen kan gewerkt worden.

Het is dus voornamelijk een kwestie van eenvoudige berekeningsregels en consistente toepassing, ongeacht de juridische verpakking van het product: individuele lijn, beleggingsfonds, beleggingsverzekering of gestructureerd product.

Two-in-one

Het gemakkelijkste is een 'two-in-one': roerende voorheffing en beurstaks samen of een 'all inclusive'. De uitwisseling op basis van de Common Reporting Standards, die deze zomer voor het eerst zal gebeuren, zal zoiets binnenkort toelaten. Men kan hierbij denken aan iets soortgelijks als het Nederlands systeem, waarbij een taks geheven wordt op het gemiddelde van de stand van de financiële tegoeden, maar dan met toepassing van een bronheffing voor de Belgische rekeningen en met een aangifteplicht voor de buitenlandse rekeningen.

Voorbeeld: aankoop aandeel 100, dat nadien een dividend van 4 geeft. Onder het huidige regime betekent dit zowel toepassing van beurstaks bij aankoop (0,27) als van RV van 30% op het dividend, hetzij 1,2. Geeft in totaal een fiscale last van 1,47.

Forfaitair

Men zou de gemiddelde waarde van het aandeel alleen kunnen nemen en hierop een forfaitair rendement taxeren. Waarom forfaitair? Omdat dit de enige manier is die toelaat dat alle vormen van beleggingen op dezelfde wijze worden getaxeerd.

Stel dat de waarde tijdens een kalenderjaar van 100 op 1 januari naar 110 gestegen is op 31 december, dan is de gemiddelde waarde 105. Een rendement van 4 % daarop geeft 4,20. Hierop 30% toepassen geeft 1,26.

Dit voorbeeld geldt uiteraard maar als een eerste indicatie om mee te geven dat het ook anders en veel eenvoudiger kan. Gedaan met complexe berekeningen van belastbare inkomsten bij beleggingen in fondsen. Over het juiste tarief van het forfait, dat eventueel kan variëren of progressief kan zijn, alsook over alle andere modaliteiten, kan nog gedebatteerd worden. Vermits het draagvlak van zo'n taxatie breder wordt, is er ook plaats voor een daling van het tarief van 30% naar bijvoorbeeld 25%.