De KAAIMAN (taks) bijt ook in exotische fondsen

De nieuwe Kaaimantaks slaat wild om zich heen. Enerzijds vernamen we vorige week in de pers dat de Kaaiman niet genoeg door bepaalde constructies heen bijt en dat de oppositie voor een aanpassing pleit om nog verder door de onderliggende constructies door te kijken.

Langs de andere kant zorgt hij ook voor bijkomende kopzorgen bij beleggingen in bepaalde ‘exotische’ fondsen. Exotisch verwijst hier eerder naar de plaats van vestiging van het fonds. Ik denk hier bijvoorbeeld aan de fondsen die gevestigd zijn op de Bermuda-eilanden en de Kaaimaneilanden en het statuut van een ‘exempt company’ hebben, of aan fondsen die - waar ook ter wereld - de vorm aangenomen hebben van een trust.

Vermits een ‘exempt company’ geen belasting betaalt op haar inkomsten, kan er geen gebruik gemaakt worden van de weerlegging van een belastingdruk van minder dan 15 % door deze te herberekenen volgens Belgisch recht. Voor een fonds onder de vorm van een trust is deze weerlegging wettelijk zelfs niet mogelijk.

Aandeelhouders of certificaathouders van zo’n fonds riskeren dus om onder de Kaaimantaks te vallen, temeer omdat deze fondsen doorgaans privé geplaatst worden in België en er voor de Kaaimantaks enkel een uitzondering voorzien wordt voor fondsen die publiek aangeboden worden in België.[1]

‘Exotische’ fondsen van buiten de EER die in het land van vestiging fiscaal vrijgesteld zijn en die in België privé geplaatst zijn, worden dus gelijkgesteld met ‘juridische constructies’.

Bijgevolg dient de houder van zo’n fonds te melden in vak XIV C van de aangifte PB dat hij ‘oprichter’ is van een juridische constructie, tenzij hij de aandelen of participatie nog vervreemd heeft vooraleer hij zijn aangifte invult. [2]    

Voor de aangifte van de inkomsten waarop de doorkijktaks zelf slaat, dient de belastingplichtige zich eerder te baseren op de belastbare inkomsten uit interesten en dividenden, die hij via dit fonds indirect genoten heeft in het kalenderjaar 2015.

Deze jaarlijkse aangifte van roerende inkomsten is gewoon een utopie omdat nagenoeg geen enkele belastingplichtige of financiële instelling de informatie van zo’n exotisch fonds zal kunnen bekomen.

En wat als het beleggingsproduct bij de uitstap al onder de toepassing van artikel 19bis WIB valt? Hierdoor wordt de uitstap of verhandeling van rechten van een fonds dat minimum 25 % in schuldvorderingen belegt, onderworpen aan RV. Heeft die dan voorrang op de Kaaimantaks bij liquidatie van het fonds als dit de vorm van een rechtspersoon /entiteit heeft?[3]  Het enige wat voorzien wordt, is dat de Kaaimantaks bij liquidatie van zo’n fonds niet meer van toepassing zal zijn in de mate dat de inkomsten voordien al in aanmerking genomen zijn geweest voor de Kaaimantaks.[4] Het gaat hier dus niet om de RV van artikel 19bis WIB 92.

Vooreerst is een verhandeling van de rechten van deelneming niet gelijk te stellen met een liquidatie. Artikel 19bis kan nu van toepassing zijn, maar ook de doorkijktaks voor de inkomsten genoten vanaf 1 januari 2015.

Bovendien is de uitstap uit zo’n fondsen meestal niet onderworpen aan de toepassing van artikel 19bis WIB 92 , omwille van het feit dat zij doorgaans in afgeleide producten belegd zijn. Dergelijke fondsen vallen onder de uitzonderingen die voorzien werden in de circulaire van 25 oktober 2013[5]. Deze circulaire geeft niet alleen verduidelijkingen over deze uitbreiding van artikel 19bis WIB 92, maar preciseert ook welke fondsen in het toepassingsgebied vallen en welke erbuiten blijven aan de hand van het soort van beleggingen van het fonds.[6]

Zo worden uitdrukkelijk uitgesloten de ICBE’s die de door hen ingezamelde financiële middelen beleggen in één van de in artikel 7, eerste lid, 3° tot 9° van de Wet van 3 augustus 2012 opgesomde beleggingen.

Het gaat hier meer bepaald om:

  • 3° grondstoffen, optie en termijncontracten op grondstoffen,

  • 4° opties en termijncontracten op effecten, deviezen en beursindexcontracten,

  • 5° vastgoed,

  • 6° hoog risicodragend kapitaal,

  • 7° schuldvorderingen in het bezit van derden en overgedragen aan de instelling voor collectieve belegging bij een overdrachtsovereenkomst onder de voorwaarden en volgens de regels die door de Koning zijn vastgesteld,

  • 8° financiële instrumenten die zijn uitgegeven door niet-genoteerde vennootschappen en

  • 9° andere door de Koning toegelaten beleggingen.

    De tekst van dit artikel 7, eerste lid, 4° tot 9° van de Wet van 3 augustus 2012 werd inmiddels verplaatst naar artikel 183 van de wet van 19 april 2014.

    Deze precisering van in en out of scope is zeer belangrijk voor de financiële instellingen.  Zo weten zij op welke producten zij al dan niet als tussenpersoon RV moeten inhouden op verhandelingen / inkopen.  Maar daarnaast weet ook de promotor van het fonds of het product al dan niet onder de toepassing van art. 19bis WIB 92 valt. 

Spijtig genoeg wordt deze verduidelijking in de circulaire om totaal onjuiste en betwistbare redenen ingetrokken vanaf 1 juli 2016[7].  Hierdoor wordt nog maar eens het vertrouwelijkheidsbeginsel geschonden.

Over dit laatste zal u binnenkort (eind mei) ook meer kunnen lezen in een persoonlijke bijdrage in het tijdschrift ‘Vermogensplanning In Praktijk’.

Ondertussen blijft het risico bestaan dat de uitstap uit zo’n fonds aan een dubbele heffing onderworpen wordt.  Dit druist duidelijk in tegen het principe van ‘non bis in idem’ en lijkt terecht betwistbaar.

En als artikel 19bis WIB 92 niet van toepassing is bij de uitstap, dan blijft het praktisch en onoplosbaar probleem om de belastbare inkomsten te kennen die de belastingplichtige moet aangeven.

De autoriteiten zouden moeten beseffen dat het voor de belastingplichtigen een totaal onmogelijke zaak is om de roerende inkomsten te kennen die zo’n exotisch fonds voor hen geïnd heeft en dat privé geplaatste fondsen beter uit het toepassingsgebied van de Kaaimantaks gehouden worden.  Het gaat hier immers niet om een privé opgezette constructie op verzoek van één of enkele belastingplichtigen, maar om een beleggingsproduct dat in het kader van een beroepswerkzaamheid van een buitenlandse financiële instelling werd gelanceerd en wereldwijd geplaatst wordt bij duizenden beleggers. Om te kwalificeren als oprichter voor de kaaimantaks moet de oprichting overigens gebeurd zijn buiten een beroepswerkzaamheid.

Gelet op het feit dat de aangiftetermijn volop loopt, dringen een verduidelijking door de Minister van Financiën of een praktisch haalbare aanpassing van de wet zich dan ook zeer snel op.

Dirk Coveliers

Advocaat-Vennoot

 

[1] Artikel 2 § 1, 13°/1 voorziet enkel een uitsluiting voor openbare instellingen voor openbare alternatieve instellingen voor collectieve belegging bedoeld in artikel 3, 4° of 6° va de et van 19april 2014, dit wil zeggen dat zij hun financiële middelen moeten aantrekken via een openbaar aanbod in België.
[2] De wettelijke basis is terug te vinden in artikel 307 § 1, lid 4WIB 92.
De jaarlijkse aangifte moet het bestaan vermelden van een juridische constructiewaarvan de belastingplichtige, zijn echtgenote of de kinderen (waarover nog ouderlijk gezag) hetzij oprichter is, zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 14° WIB 92, hetzij derde begunstigde zoals bedoeld in artikel 2 § 1, 14°/1 WIB 92.Dit wordt ook zo verwoord onder vak XIV, rubriek C. In tegenstelling tot de rekeningen in het buitenland (rubriek A) en de buitenlandse individuele levensverzekeringen (rubriek B), waar dit uitdrukkelijk gevraagd wordt,  wordt er in de aangifte PB voor de constructies niet verwezen naar de situatie op enig ogenblikin 2015.  Bovendien valt onder het begrip ‘oprichter van artikel 2 § 1, 14° WIB enkel de natuurlijke personen die
-        de constructie opgericht hebben, of
-        goederen of rechten hebben ingebracht als ze door een derde persoon werd opgericht, of
-        houders zijn van de eigendom of vruchtgebruik / blote eigendom van aandelen van een vennootschap of certificaten van een rechtspersoon.
[3] Artikel 18, 3°WIB 92 luidt als volgt: “Dividenden omvatten (…) 3° Uitkeringen andere dan deze bedoeld in 1°, 2°, 2°bis en 2°ter, toegekend of betaalbaar gesteld door een in artikel 2, § 1, 13°, b), bedoelde juridische constructie, ten gevolge van haar ontbinding of van de totale of gedeeltelijke overdracht van haar activa, die niet op vergeldende wijze is tot stand gekomen, voor het gedeelte dat de door de oprichter ingebrachte activa overschrijdt;”
[4] Artikel 21,12° WIB 92:  “De inkomsten van roerende goederen en kapitalen omvatten niet: 12° (...) inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld door een in artikel 2, § 1, 13°, b), bedoelde juridische constructie en werden verkregen door een oprichter of een derde begunstigde, in het geval en in de mate dat de oprichter of de derde begunstigde aantoont dat deze inkomsten zijn samengesteld uit door de juridische constructie verkregen inkomsten die reeds in hoofde van deze oprichter of derde begunstigde in België hun belastingregime hebben ondergaan”
[5] circulaire AAFisc Nr. 41/2013 nr. Ci.RH.231/629.328
[6] Randnummers 27 tot 29 van de circulaire
[7] ADDENDUM dd. 08.04.2016 aan de circulaire AAFisc Nr. 41/2013 (nr. Ci.RH.231/629.328) dd. 25.10.2013