Einde van het finaal verrekenbeding, of toch niet ?

Het finaal verrekenbeding is een prima manier voor echtgenoten met scheiding van goederen om elkaar te beschermen. Dat beseft ook de federale wetgever, nu hij in het nieuwe huwelijksvermogensrecht maatregelen inschrijft om dit beschermingsmechanisme vaker ingang te doen vinden.

Tegelijk stellen we vast dat in Vlaanderen de gunstige gevolgen op het vlak successierechten bij de uitvoering van dit beding teruggedraaid werden door het Vlaams Parlement : nadat het Hof van Cassatie de belastingplichtigen gelijk had gegeven en de onbelastbaarheid van het beding dus vaststond, heeft de Decreetgever geoordeeld dat de bescherming die de echtgenoten elkaar geven in een verrekenbeding, onder de erfbelasting valt.

Wat is een finaal verrekenbeding en hoe werkt het ?

Vele echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen, hebben elkaar beschermd met een “optioneel finaal verrekenbeding. Dit is een clausule in het huwelijkscontract die de nare gevolgen van de zuivere scheiding van goederen wat kan temperen wanneer aan het huwelijk een einde komt.

In een zuivere scheiding van goederen is en blijft iedere echtgenoot eigenaar van zijn goederen en zijn de echtgenoten op het einde van de rit (bij echtscheiding of overlijden) niets aan elkaar verschuldigd. In een gemeenschapsstelsel daarentegen zal in beginsel de helft van de gemeenschap toekomen aan de langstlevende, zodat die een zekere bescherming geniet ; echtgenoten kunnen er ook voor kiezen om een groter deel de helft toe te bedelen aan de langstlevende.

Een optioneel finaal verrekenbeding zorgt ervoor dat ook de langstlevende in een stelsel van scheiding van goederen beschermd wordt door een aanspraak op het vermogen van de eerststervende. Het beding is :

-          Optioneel, omdat de begunstigde echtgenoot bepaalde keuzes zal kunnen uitoefenen ;

-          Finaal, omdat het uitwerking krijgt bij het einde van het huwelijk (door overlijden of scheiding, waarbij de bescherming bij overlijden meestal sterker werkt dan bij echtscheiding) ;

-          Gericht op verrekening, omdat de echtgenoten overeenkomen dat zij op het einde van de rit met elkaar zullen afrekenen met betrekking tot de eigen vermogens.

Stellen we ons een echtpaar voor (scheiding van goederen met optioneel finaal verrekenbeding) waarbij mevrouw 700 bezit en meneer 300. Stellen we ons ook even voor dat deze vermogens voortkomen uit beroepsinkomsten van na het huwelijk (“aanwinsten”). Bij de dood van mevrouw kan meneer er voor kiezen om  aanspraken te formuleren op het vermogen van mevrouw. Zo kan hij zich het gehele vermogen van mevrouw laten toebedelen, zodat hij bij zijn eigen 300 de 700 van mevrouw voegt. Of hij opteert ervoor om in totaal de helft van de aanwinsten te nemen, zodat hij boven zijn eigen 300 nog 200 van mevrouw neemt. Of hij kiest ervoor om niets te nemen ; alles is mogelijk.

De grote voordelen van deze regeling liggen hierin dat men toch een afgescheiden vermogen houdt (bijvoorbeeld omdat één van de echtgenoten een zelfstandige activiteit uitoefent), maar tegelijk een prima bescherming kan bieden aan de partner zodat die niet onbemiddeld hoeft achter te blijven.

Technisch gesproken kan meneer niet zo maar de goederen van mevrouw in bezit nemen ; het contract verleent hem een vordering op het vermogen van mevrouw. Dit betekent dat het vermogen van mevrouw (dus 700)  in eerste instantie geërfd wordt door haar erfgenamen (bijvoorbeeld de kinderen), maar dat meneer zijn vordering van 700 kan uitoefenen en dit bedrag kan opeisen.

En fiscaal ?

Op het vlak van successierechten en erfbelasting was deze regeling zeer gunstig : doordat meneer deze bedragen niet “erft” van zijn echtgenote (ze komen hem immers toe via het contract) vallen deze ook niet onder de erfbelasting. Tegelijk betaalden ook de erfgenamen van mevrouw (bijvoorbeeld de kinderen) niets : zij erfden immers het vermogen van hun moeder, dat bestond uit een actief van 700, maar ook uit een passief van 700 (de vordering van meneer), zodat er niets te belasten viel. Welnu, dit laatste werd door de fiscus jarenlang betwist ; de fiscus houdt immers voor dat de schuld van 700 aan meneer niet aftrekbaar is. Daardoor zouden de kinderen volgens de fiscus toch erfbelasting moeten betalen op een bedrag van 700.

Na jarenlange procedures heeft het Hof van Cassatie in januari 2017 beslist dat de verrekenschuld (het bedrag dat aan meneer moet worden uitbetaald) wel degelijk aftrekbaar is ; in ons voorbeeld zou dus noch meneer noch de kinderen enige erfbelasting betalen en komt het gehele vermogen van mevrouw belastingvrij toe aan meneer.

De Vlaamse Decreetgever komt de fiscus ter hulp

Nu het Hof van Cassatie de taxaties eigenlijk onderuit gehaald had, kon alleen een wetgevend ingrijpen nog een uitkomst bieden voor de fiscus.

Voor Vlaanderen is het Vlaams Parlement al aan de verzuchtingen van de Vlaamse Belastingdienst tegemoetgekomen bij Decreet van 8 december 2017 ; hierin is onder meer bepaald dat de verrekenschuld niet aftrekbaar is als passief in de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot, zodat de facto op diens gehele vermogen erfbelasting wordt geheven. Op fiscaal vlak gaan de gunstige effecten van het finaal verrekenbeding dus verloren. Indien meneer nu 700 opvraagt, zal dit toch belast worden.

In de literatuur worden bij de huidige decretale regeling vraagtekens geplaatst : wie in een stelsel van gemeenschap de aanwinsten van 1.000 zou opvragen (via verblijvingsbeding), moet erfbelasting betalen op hetgeen hij bovenop de eigen helft krijgt. In ons voorbeeld zou er erfbelasting moeten betaald worden op 500 indien ons echtpaar onder een gemeenschapsstelsel gehuwd was.

Er ontstaat dus een verschil in fiscale behandeling voor echtgenoten die aan de langstlevende de aanwinsten toebedelen in het huwelijkscontract, naargelang zij onder een gemeenschapsstelsel waren gehuwd dan wel onder een stelsel van scheiding van goederen. Of dit verschil genade vindt in de ogen van het Grondwettelijk Hof, is maar zeer de vraag.

Voor Brussel en Wallonië blijft voorlopig alles bij het oude : ingevolge de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijft het verrekenbeding daar voorlopig onbelast.

Het verrekenbeding gepromoot door de federale Wetgever – het nieuwe huwelijksvermogensrecht

Precies omdat het stelsel van scheiding van goederen in zijn zuivere vorm op zichzelf weinig solidariteit kent tussen de echtgenoten, voorziet het wetsvoorstel dat het huwelijksvermogensrecht zal wijzigen (in beginsel vanaf 1 september 2018) in een wettelijk kader dat de rechtszekerheid over de verrekenbedingen moet versterken. Het federale parlement zal daarom een aantal maatregelen nemen om de huwelijkse solidariteit in het stelsel van scheiding van goederen te verhogen ; er zal dus een wettelijke regeling uitgewerkt worden die het verrekenbeding op civiel vlak een sterke basis geeft, waardoor dit des te meer aantrekkelijk wordt.

Tegelijk worden deze bedingen fiscaal nu ongunstig behandeld, hetgeen op dat vlak toch om bijsturing vraagt.

Besluit

Het verrekenbeding blijft zijn nut houden op het burgerlijke vlak : de partners beschermen elkaar in een sfeer van huwelijkse solidariteit.

Dat er op deze bescherming voortaan erfbelasting wordt geheven is een ander paar mouwen, vooral omdat de verrekenbedingen zwaarder belast worden dan de bescherming via een gemeenschapsstelsel.

Gelukkig kan de solidariteit ook op andere manieren georganiseerd worden (via schenking, of aanwasovereenkomsten bijvoorbeeld).

In ieder geval is het aangewezen het huwelijkscontract goed na te lezen met de volgende vragen in het achterhoofd : zijn wij als partners goed beschermd in dit contract en wat zijn de fiscale gevolgen van deze bescherming ? Desgewenst staan wij u graag bij in deze oefening : neemt u gerust contact met ons team Estate Planning via robby.ackermans@sherpalaw.be, peter.meeuwssen@sherpalaw.be, dirk.degroot@sherpalaw.be