Hof van Beroep vernietigt discriminerende behandeling van ter beschikkinstelling van onroerende goederen

In een recent arrest (nog niet gepubliceerd) van 24 mei 2016 komt het Hof van Beroep te Gent tot de conclusie dat de forfaitaire waarderingsregels voor een door een vennootschap  kosteloos ter beschikking gesteld onroerend goed (artikel 18, § 3, 2 KB/WIB – zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2012) het gelijkheidsbeginsel schenden.  Deze regels maken immers een onderscheid naargelang een onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een natuurlijke persoon, dan wel door een rechtspersoon.

 Een belastingplichtige diende een aangifte in de personenbelasting in met betrekking tot het aanslagjaar 2012. In deze aangifte werd onder meer een voordeel van alle aard aangegeven dat de belastingplichtige ontving uit een vennootschap door het hem gratis ter beschikking stellen van een onroerend goed dat eigendom was van de vennootschap. Het aangegeven voordeel werd berekend overeenkomstig de bestaande fiscale wetgeving en meer bepaald overeenkomstig artikel 18, § 3, 2 KB/WIB (zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2012, nl. 100/60 x geïndexeerd KI x 2).

Naderhand diende de belastingplichtige bezwaar in tegen de aanslag die volgde op de voormelde aangifte, doch dit bezwaar werd afgewezen. Vervolgens werd ook de vordering voor de Rechtbank van Eerste Aanleg afgewezen. Voor het Hof van Beroep boekte de belastingplichtige daarentegen wel succes…

De belastingplichtige beriep zich voor het Gentse hof op een dwaling in feite of in rechte in verband met de opgegeven waardering van het voordeel van alle aard. De regeling van artikel 18, § 3, 2 KB/WIB is volgens belastingplichtige - daarin bijgetreden door het Hof van Beroep - immers ongrondwettelijk, doordat zij een verschil in behandeling invoert tussen enerzijds het geval waarin een vennootschap een onroerend goed ter beschikking stelt en anderzijds het geval waarin een natuurlijke persoon een onroerend goed ter beschikking stelt, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. In het geval van een terbeschikkingstelling door een natuurlijke persoon dient het voordeel immers niet te worden vermenigvuldigd met factor 1,25 (KI < € 745,00) of 2 (KI > € 745,00). Merk op dat het voordeel voor de kosteloze terbeschikkingstelling van een onroerend goed met een KI > € 745,00 thans zelfs moet worden vermenigvuldigd met facor 3,8 in plaats van factor 2.

De belastingadministratie trachtte alsnog een verantwoording naar voor te brengen voor het gemaakte onderscheid: zo zou het onderscheid bedoeld zijn om kaderleden en bedrijfsleiders op een passend voordeel van alle aard te kunnen belasten. Bedrijfsleiders en kaderledenkrijgen - in tegenstelling tot gewone werknemers – immers vaak de beschikking over een luxueuze woning. Dergelijke kaderleden en bedrijfsleiders worden – aldus de administratie - niet tewerkgesteld door een natuurlijke persoon. De facto ondergaan dus enkel zij de verhoogde forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard. Verder zou de regeling ook zijn ingegeven om in hoofde van de genieter te kunnen belasten, wat in hoofde van de verstrekker als bedrijfsuitgave wordt afgetrokken.

De argumentatie van de administratie overtuigt het hof evenwel niet.  Het hof besluit dan ook dat de forfaitaire waarderingsregels van artikel 18, § 3, 2 KB/WIB ongrondwettelijk zijn, zodat het deze regels niet kan toepassen (exceptie van onwettigheid – artikel 159 GW). De bestreden aanslag wordt dan ook vernietigd in zoverre die aanslag het voordeel van alle aard belast volgens de regels voorzien bij artikel 18, § 3 , 2 KB/WIB voor de terbeschikkingstelling door rechtspersonen (zoals van toepassing voor aanslagjaar 2012). 

Het besluit van het Hof van Beroep lijkt ons terecht. In het licht van het grondwettelijk gelijheidsbeginsel is een verschil in behandeling tussen categoriën van belastingplichtigen (in casu natuurlijke personen waaraan een onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een rechtspersoon enerzijds en natuurlijke personen waaraan een onroerend goed ter beschikking wordt gesteld door een natuurlijke persoon anderzijds) immers slechts toegestaan, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Belangrijke opmerking is wel dat de beslissing van het hof niet erga omnes geldt: enkel in de zaak die voor het hof aanhangig was, worden de forfaitaire waarderingsregels van artikel 18, § 3, 2 KB/WIB nu terzijde geschoven. Bovendien valt te verwachten dat in ijltempo een nieuwe forfaitaire waarderingsregeling zal worden uitgewerkt. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Gilles Van Namen

Advocaat Sherpalaw