Het Grondwettelijk Hof bevestigt dat ook de overheid (en dus ook de fiscus) rechtsplegingsvergoeding dient te betalen

Het Grondwettelijk Hof heeft op 3 maart 2016 het artikel vernietigd waarin wordt bepaald dat publiekrechtelijke rechtspersonen die in het algemeen belang als partij optreden in een geding geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd zijn als zij een zaak verliezen. (Grondwettelijk Hof 3 maart 2016, nr. 34/2016).

Bijna twee jaar geleden is er in de fiscale wereld ophef ontstaan, en dit naar aanleiding van de publicatie van de Wet van 25 april 2014 (gepubliceerd in het B.S. van 18 augustus 2014 maar nog niet in werking getreden). Artikel 17 van voormelde wet voorziet in een aanpassing van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en stelt dat er geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is ten laste van de Staat wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding.

Deze wet is er gekomen om tegemoet te komen aan de verschillende arresten van het Grondwettelijk Hof omtrent de verschuldigdheid van een rechtsplegingsvergoeding door publiekrechtelijke personen belast met een taak van algemeen belang, zoals o.m. het openbaar ministerie en het arbeidsauditoraat. Deze laatsten zijn immers, aldus de (oude) rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd indien zij een proces verliezen.

In fiscalibus zou voormeld artikel 17 tot gevolg hebben dat ook de fiscale administratie bij verlies van een fiscaal proces geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd zou zijn. Dit artikel stuitte meteen op felle kritiek, o.m. van de Orde van Vlaamse Balies en de Belgian Association of Tax Lawyers. Reden waarom een beroep tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof werd ingediend.

In tussentijd werd aan het Grondwettelijk Hof - in het kader van een aantal specifieke dossiers (niet gericht tegen de wet van april 2014 zelf) – door de rechtbank van eerste aanleg te Aarlen de (prejudiciële) vraag gesteld of artikel 1022 Ger.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kan worden gelegd wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld.

Op 21 mei 2015 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat er geen reden is waarom de fiscale administratie geen rechtsplegingsvergoeding zou betalen wanneer ze een fiscaal proces verliest. Het Grondwettelijk Hof verwijst onder meer naar de wettelijke regeling waarbij in procedures voor de Raad van State een overheid als verliezer toch kan worden veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding. Het Hof verwijst expliciet naar de wet op de Raad van State en stelt expliciet dat het niet te verantwoorden valt dat partijen anders behandeld worden naargelang een zaak onder een gewone burgerlijke rechtbank valt (zoals de fiscale rechtbank), dan wel onder de bevoegdheid van de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof breekt hiermee met haar eerdere rechtspraak (Grondwettelijk Hof 21 mei 2015, nr. 70/2015).

Tegen artikel 17 van de Wet van 25 april 2014 zelf werd – zoals hoger opgemerkt - een beroep tot vernietiging door de Orde van Vlaamse Balies bij het Grondwettelijk Hof ingediend. In het verlengde van het arrest van 21 mei 2015 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 17 van de Wet van 25 april 2014 dient te worden vernietigd. Dit betekent concreet dat alle (fiscale) overheden rechtsplegingsvergoedingen moeten betalen in burgerlijke zaken in de mate zij de zaak verliezen. Goed nieuws dus voor de belastingplichtige, door dit arrest wordt immers elke twijfel weggenomen en zal de geplande wetswijziging ook nooit in werking treden.

Jessica Vanhove

Advocaat Sherpa Law