Hof van Justitie vindt BTW op dienstverlening van advocaten niet in strijd met Europees recht

Op 28 juli 2016 deed het Hof van Justitie een belangrijke uitspraak met betrekking tot de BTW op dienstverlening door advocaten. De uitspraak is er gekomen op een verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Grondwettelijk Hof (België) bij beslissing van 13 november 2014. De verzoek kwam er op initiatief van de Belgische en Europese advocatenverenigingen.

Het Grondwettelijk Hof vroeg zich af of het feit dat btw verschuldigd is over diensten van advocaten, en de daaruit voortvloeiende stijging van de kosten voor deze diensten, verenigbaar zijn met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en in het bijzonder met het recht om te worden bijgestaan door een advocaat. Bovendien vroeg het zich af of de litigieuze regeling in overeenstemming is met het beginsel van wapengelijkheid, aangezien deze kostenstijging enkel niet-btw-plichtige rechtzoekenden treft die geen rechtsbijstand genieten, terwijl btw-plichtige rechtzoekenden over de mogelijkheid beschikken om de over die diensten betaalde btw af te trekken.

Volgens het HvJ is het aan de orde zijnde btw-bedrag bij lange niet het grootste deel van de kosten van een gerechtelijke procedure, zodat het feit dat over diensten van advocaten btw verschuldigd is, hoe dan ook niet kan worden geacht op zichzelf een onoverkomelijk obstakel te vormen voor de toegang tot de rechter, dan wel de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk te maken. Dat dit feit mogelijkerwijs een stijging van die kosten met zich meebrengt, is bijgevolg niet van dien aard dat het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte zich tegen de heffing van btw over diensten van advocaten verzet.

Het feit dat bepaalde partijen recht op aftrek van btw genieten en andere partijen in een geding niet, betekent niet dat hierdoor de wapengelijkheid wordt doorbroken. Het beginsel van wapengelijkheid houdt volgens het Hof immers niet de verplichting in om de partijen op gelijke voet te stellen met betrekking tot de in het kader van de gerechtelijke procedure gedragen financiële kosten

Maar het Hof stelt ook dat er geen btw-vrijstelling mag ingevoerd worden voor die handelingen die kaderen in rechtsbijstand. Het Hof is immers van oordeel dat de diensten van advocaten ten behoeve van rechtzoekenden die rechtsbijstand genieten in het kader van een nationaal stelsel van rechtsbijstand niet zijn vrijgesteld van de btw. Het nultarief dat thans gehanteerd wordt voor prestaties in het kader van tweedelijnsbestand (Circulaire 47/2013) zou derhalve kunnen vervallen.

Voor meer informatie hierover kunt u steeds terecht bij Alain Claes (alain.claes@sherpalaw.be).