Internationale kruistocht in spijkerbroek : verstuurt de BBI een (te) algemene vraag om inlichtingen?

Het is voldoende bekend dat België de omvangrijke informatie met betrekking tot buitenlandse rekeningen inmiddels grondig heeft geanalyseerd. We vernemen dat in dit kader de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) recent in een aantal specifiek geselecteerde dossiers een bijzonder omstandige vraag om inlichtingen heeft verzonden naar Belgische belastingplichtigen.

In de vraag om inlichtingen worden een vijftal thema’s weerhouden, nl. :

1. vragen omtrent een aantal specifieke rekeningen bij een of meerdere specifieke buitenlandse financiële instellingen,

2. vragen omtrent de rekeningen en contracten bij buitenlandse financiële instellingen,

3. vragen i.v.m. buitenlandse juridische constructies en mandaten/activiteiten,

4. vragen i.v.m. de buitenlandse onroerende goederen en

5. vragen i.v.m. de rekeningen en contracten bij Belgische financiële instellingen.

De eerste reeks vragen heeft betrekking op één of meerdere welbepaalde rekeningen die de belastingplichtige bij een specifieke buitenlandse bank aanhield tijdens de inkomstenjaren 2011 t.e.m. 2016 (AJ 2012 – 2017). Concreet beschikt de BBI over informatie waaruit blijkt dat de belastingplichtige zijn/haar buitenlandse inkomsten met betrekking tot die welbepaalde rekeningen niet heeft aangegeven. De fiscus beroept zich op de artikelen 333 W.I.B.1992, 333/2 W.I.B.1992 alsook art. 358 § 1 2° en §3° W.I.B. 1992 om de termijn uit te breiden naar de inkomstenjaren 2011 – 2016.

De drie volgende reeksen vragen zijn algemene vragen waarbij de fiscale administratie niet verwijst naar concrete informatie die zij in haar bezit heeft maar in zeer algemene termen gedetailleerde informatie opvraagt omtrent eventuele andere rekeningen, contracten, juridische constructies, mandaten, activiteiten of onroerende goederen in het buitenland. Hier beperkt de fiscus zich wel tot de inkomstenjaren 2015, 2016 en 2017 (AJ 2016 – 2018).

Bij de laatste reeks vragen omtrent de rekeningen en contracten bij de Belgische financiële instellingen, verwijst de fiscus uitdrukkelijk naar 322 §2 W.I.B.1992. Dit artikel laat toe om – in geval er aanwijzingen bestaan van belastingontduiking of wanneer de fiscus zich voorneemt om de belastbare grondslag te bepalen op basis van een indiciaire afrekening – informatie op te vragen bij het Centraal Aanspreekpunt (Nationale Bank van België). Dit in de hypothese dat de belastingplichtige weigert om spontaan mee te werken.

Hierna alvast kort enkele bedenkingen.

1. Mag de fiscale administratie haar onderzoeksbevoegdheden in deze zonder meer onbeperkt inzetten?

Wat betreft de reeks vragen die betrekking hebben op contracten, mandaten, juridische constructies, etc., zonder aanduiding van enig specifieke verwijzing, heerst de bezorgdheid of de fiscus zich hier niet bezondigt aan een verboden ‘fishing expedition’. Zeker als de informatie die de fiscus in zijn bezit heeft en waarover de belastingplichtige in vraag 1 wordt ondervraagd, geen aanwijzingen van fraude bevat. Het gegeven dat de fiscus in de vraag om inlichtingen enkel 5 jaar teruggaat in de tijd (en niet 7 jaar), doet trouwens vermoeden dat er geen aanwijzingen van fraude zijn. Welnu, dan is het al zeker niet evident om een dergelijke algemene vragenlijst door te sturen. Maar diezelfde opmerking (verbod op ‘fishing expedition’) geldt ook voor de andere reeksen vragen.

Verder dient de vraag om inlichtingen ook aan de toets van artikel 8 E.V.R.M. (recht op bescherming van het privéleven) onderworpen te worden. Wat betreft de voorlegplicht die betrekking heeft op natuurlijke personen die (buitenlandse) rekeningen, levensverzekeringen, juridische constructies, contracten, edm. bezitten, dient met zekerheid te worden gesteld dat deze documenten informatie bevatten over het private leven van de betrokken natuurlijke persoon in de enge zin van het woord (cf. S. DE RAEDT, “De draagwijdte van het recht op privéleven bij de informatie-inzameling door de fiscale administratie”, in Grondslagen van het Fiscaal Recht, Larcier, 2017, 155). Met de gevraagde informatie wordt immers een indicatie gegeven van het vermogen en het inkomen van de natuurlijke persoon, zodat de voorlegplicht van deze stukken als een inmenging van het privéleven moet worden beschouwd (EHRM 29 juni 1992, Anderberg/Zweden; zie ook GwH 18 april 2013, 54/2013, overw. B.5. (inzake het roerend inkomen)). Een inmenging in het recht op een privéleven is maar toegestaan mits er een wettelijke basis voorhanden is (legaliteitsvereiste), mits deze inmenging een legitiem doel nastreeft (legitimiteitstoets) en mits de inmenging noodzakelijk is in een democratische samenleving (noodzakelijkheidstoets) (cf. artikel 8 tweede lid E.V.R.M.). Zeker wat betreft de bijzonder ruime vragenlijst omtrent de voorlegging van de rekeningen bij de Belgische financiële instellingen, rijst de vraag of het louter en vermeend niet aangeven van (de inkomsten van) een buitenlandse rekening volstaat om de meest uitgebreide informatie op te vragen van alle Belgische rekeningen van de belastingplichtige.

2. Een tweede bezorgdheid die mogelijks speelt bij de geadresseerde belastingplichtige, is of hij deze situatie alsnog fiscaal kan regulariseren.

Het is de fiscus in ieder geval menens. BBI-topman Frank Philipsen benadrukt : “De info uit het buitenland - idem voor info van de leaks - vormt slechts het begin van het onderzoek. We toetsen die aan alle informatie waarover wij intern beschikken. We gaan de historiek van de belastingplichtige na: hebben we ooit dossiers over hem behandeld? We gaan na in welke bedrijven hij betrokken is. We toetsen de info ook aan alle open bronnen die we terugvinden op het internet. En dan trachten we via ons vooronderzoek tot een bepaalde conclusie te komen: is een dossier de moeite om te controleren? Het moet natuurlijk gaan over ernstige fraude. Fraudeurs moeten weten dat het 5 over 12 is. Justitie kan al je zwart geld verbeurdverklaren. Dan ben je alles kwijt” (Knack, 14 februari 2018).

De Minister van Financiën liet recent verstaan dat de BBI alle belastingplichtigen in ieder geval zal uitnodigen om hun fiscaal verjaard kapitaal te regulariseren bij het Contactpunt Regularisaties. Als de belastingplichtige daar geen gevolg aan geeft, wordt zijn dossier overgemaakt aan het parket. Dat kan dan een onderzoek starten op basis van het misdrijf witwassen in de strafwet (cf. persbericht van 31 januari 2018, De Tijd).

De vraag is evenwel of deze aanpak nog wel mogelijk is. Immers, noch de regularisatieaangifte, noch het regularisatieattest hebben uitwerking indien vóór de indiening van de regularisatieaangifte de aangever door een Belgische gerechtelijke dienst, Belgische belastingadministratie, een sociale zekerheidsinstelling of een Belgische sociale inspectiedienst of de FOD Economie schriftelijk in kennis is gesteld van lopende, specifieke onderzoeksdaden. Eenzelfde conclusie geldt indien ten behoeve van dezelfde aangever reeds een regularisatieaangifte werd ingediend sinds de datum van de inwerkingtreding van deze wet. (cf. 14 van de wet van 21 juli 2016). Een vraag om inlichtingen in toepassing van artikel 316 W.I.B.1992 lijkt bij uitstek een voorbeeld van een specifieke schriftelijke onderzoeksdaad.

Hoewel het initiatief van de Minister van Financiën en de BBI om de fiscale zonden alsnog recht te zetten bij het Contactpunt Regularisaties (aan de huidige tarieven), getuigt van een bijzonder hands-on aanpak, lijkt het ons aangewezen dat hier een kristalhelder signaal komt dat het uiteindelijk uitgereikte regularisatieattest ook daadwerkelijk uitwerking heeft. Zeker in de situatie waarbij de belastingplichtige eerder in kennis werd gesteld van een specifieke schriftelijke onderzoeksdaad.

Wordt zeker vervolgd. 

Onze gespecialiseerde fiscale teams binnen Sherpa Law kunnen bouwen op een jarenlange ervaring en U dan ook met correct en concreet advies bijstaan in deze complexe materie. Aarzel zeker niet één van hen te contacteren.

Jo Roseleth Jo.roseleth@sherpalaw.be

Alain Claes Alain.claes@sherpalaw.be

Robby Ackermans Robby.ackermans@sherpalaw.be