KAPITAALVERMINDERING IN DE BVBA: GRONDWETTELIJK HOF STELT SCHENDING GELIJKHEIDSBEGINSEL VAST INZAKE ONMOGELIJKHEID TOT ZEKERHEID VOOR BETWISTE SCHULDVORDERINGEN

Op 9 juni 2016 deed het Grondwettelijk Hof een belangrijke uitspraak met betrekking tot de waarborgen van schuldeisers bij een kapitaalvermindering in een BVBA. Zij stelde immers dat ook schuldeisers van een BVBA bij een kapitaalvermindering een zekerheid moeten kunnen vragen voor schuldvorderingen waarvoor een bezwaar werd ingesteld vóór de algemene vergadering die zich over deze kapitaalsvermindering dient uit te spreken. De wet van 22 november 2013 die dergelijke mogelijkheid wel invoerde voor de NV in art. 613 W. Venn., maar niet voor de BVBA in art. 317 W. Venn., schendt aldus volgens het Grondwettelijk Hof art. 10 en 11 van de Grondwet.

In deze zaak voor het Grondwettelijk Hof meende de gemeente Wommelgem een schuldvordering te hebben op SYNERGIE NV ten belope van 867.627,35 EUR. Deze schuldvordering werd evenwel betwist voor de Rechtbank van Eerste Aanleg. SYNERGIE NV besluit zich om te zetten in een BVBA en gaat tevens over tot een kapitaalvermindering van 255.330,33 EUR naar 18.500,00 EUR. Enigszins verontrust hierdoor, vorderde de gemeente Wommelgem een zekerheidsstelling van SYNERGIE BVBA voor haar schuldvordering.

Nu de vordering van de gemeente Wommelgem werd ingeleid na de omvorming van de vennootschap in een BVBA, dienen dan ook de rechtsregels met betrekking tot de BVBA te worden toegepast. Bij de toepassing hiervan merkte de verwijzende rechter een wezenlijk verschil op tussen de schuldeisers van een NV en deze van een BVBA in het kader van een kapitaalvermindering en de zekerheden voor de schuldeisers van deze vennootschappen.

Art. 317 W. Venn. voorziet bij een kapitaalvermindering in een BVBA de mogelijkheid voor de schuldeisers om een zekerheid te eisen voor de schulden die nog niet zijn vervallen en zijn ontstaan voor de bekendmaking van de kapitaalvermindering, wanneer deze laatste geschiedt door een terugbetaling aan de vennootschap of door een gedeeltelijke of volledige vrijstelling van hun verplichting tot volstorting van hun inbreng.

De bepaling aangaande een dergelijke reële kapitaalvermindering bij de NV, met name art. 613 W. Venn. voorzag oorspronkelijk in eenzelfde optie, die bij art. 2 van de wet van 22 november 2013 werd uitgebreid met de mogelijkheid om als schuldeiser een zekerheid te eisen voor schuldvorderingen “waarvoor in rechte of via arbitrage een bezwaar werd ingesteld vóór de algemene vergadering die zich over de kapitaalverminderingmoet uitspreken”. Ook voor dergelijke betwiste vorderingen, was een mogelijkheid tot zekerheidsstelling dus voortaan mogelijk in de NV. Dergelijke mogelijkheid werd niet enkel voorzien bij een reële kapitaalvermindering, maar eveneens bij een fusie of splitsing (art. 684 W. Venn.) of bij een inbreng van een algemeenheid of een bedrijfstak (art. 766 W. Venn.).

De verwijzende rechter stelde zich vragen omtrent dit verschil tussen de NV en de BVBA in het licht van art. 10 en 11 G.W. en legde dit voor aan het Grondwettelijk Hof.

Hoewel werd opgeworpen dat voormeld onderscheid tussen de NV en de BVBA zou beantwoorden aan de noden van de praktijk, stelde het Grondwettelijk Hof daartegenover dat zowel bij de NV, als bij de BVBA de rechten van schuldeisers kunnen worden bedreigd bij een kapitaalvermindering, waardoor een vergelijking van de situaties in het kader van art. 10 en 11 G.W. wel degelijk mogelijk is.

De uitbreiding voor de NV van art. 613 W. Venn. bij wet van 22 november 2013, met een zekerheid voor schuldvorderingen die betwist worden, bleek voor de wetgever noodzakelijk nu het zonder deze bepaling moeilijk was om enige bescherming te bieden aan schuldeisers van dergelijke betwiste vorderingen (Parl St Kamer 2012-13, nr. 2800/001, 3).

Dergelijk verschil in behandeling tussen de NV en de BVBA dient evenwel gesteund te zijn op een objectieve en redelijke verantwoording.

Aangezien de NV en de BVBA onderscheiden rechtsvormen betreffen, is er in casu weliswaar sprake van een objectief criterium, doch het Grondwettelijk Hof meent dat er geen redelijke verantwoording bestaat voor het verschil in behandeling tussen schuldeisers van de NV en deze van de BVBA, nu de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 november 2013 geen enkele verklaring geeft voor dit onderscheid. Sterker nog, de wetgever stelde uitdrukkelijk dat de bescherming van de schuldeisers en hun kansen op terugbetaling dienden te worden uitgebreid, zonder hierbij enig onderscheid te vermelden aangaande de aard van de vennootschap (Parl St Kamer 2012-13, nr. 2800/001, 9). Het Grondwettelijk Hof stelt overigens vast dat deze uitbreiding van mogelijkheid tot zekerheidsstelling voor betwiste vorderingen – via artikel 657 W. Venn. - wel toepasselijk werd geacht voor de Commanditaire Vennootschappen (het Hof doelt in feite op de Commanditaire Vennootschap op Aandelen), maar niet voor de BVBA.

Het Grondwettelijk Hof meende hierdoor dat het verschil in behandeling van de verscheidene schuldeisers aldus niet gesteund is op een pertinent criterium van onderscheid en onevenredige gevolgen heeft voor de schuldeisers van een BVBA.

In die zin oordeelde het Grondwettelijk Hof dan ook dat art. 317 W. Venn. niet in overeenstemming is met art. 10 en 11 G.W., nu dit aan de schuldeisers van een BVBA niet de mogelijkheid voorziet bij een kapitaalvermindering een zekerheid te eisen voor betwiste schuldvorderingen.

Voor meer informatie hierover kunt u steeds terecht bij Tom Vanraes (tom.vanraes@sherpalaw.be) of Bernd Bogaerts (bernd.bogaerts@sherpalaw.be).