Nieuwe ronde fiscale regularisatie: start op 1 april 2016?

Alain Claes, Advocaat-vennoot Sherpa Law

 Door de artikelen 121 tot 128 van de Programmawet van 27 december 2005 (Belgische Staatsblad 31 december 2005, 2° editie) was er voorzien in een ‘permanente’ mogelijkheid tot fiscale regularisatie. Aan deze ‘permanente’ regeling werd evenwel een einde gesteld per 31 december 2013. Sinds ettelijke maanden wordt er een initiatief genomen door de regering om deze regularisatiemogelijkheid nieuw leven in te blazen. Waar het aanvankelijk de bedoeling was deze in te voeren als een deel van de Programmawet eind 2015, werd deze deadline niet gehaald. Op 11 maart 2016 bereikte de regering alsnog een consensus rond een nieuwe tekst. Deze tekst heeft thans de vorm gekregen van een afzonderlijke wet, nl. “ontwerp van wet tot invoering van een permanent systeem inzake fiscale en sociale regularisatie”. De regering heeft het voornemen om deze in te voeren per 1 april 2016.

Ontwerp van wet vult juridisch vacuüm op

Vrij snel na het beëindigen van de regularisatiemogelijkheid per 31 december 2013, was gebleken dat er nog steeds gegadigden voor een regularisatie konden aangetroffen worden die helaas te laat ageerden. Op vrij korte tijd was er dan ook een werkwijze ontstaan bij de administratie, vooral de Bijzondere Belastinginspectie, om tot spontane regularisatie over te gaan. Na enige tijd van onzekerheid, was er een redelijk homogene werkwijze tot stand gekomen, die vaste vorm kreeg in de beruchte “interne instructie SB/014487” van 29 januari 2015. Deze administratieve mogelijkheid was lichtjes duurder dan de laatste ronde van de wettelijke fiscale regularisatie (de zogenaamde regularisatie ‘ter’).

Bepaalde politieke partijen meenden evenwel dat dergelijke administratieve werkwijze niet kon getolereerd worden en vochten deze interne instructie dan ook aan bij de Raad van State (waardoor de spontane regularisatie ‘on hold’ werd gezet in de loop van januari 2016). Enigszins onverwacht, volgde de Raad van State recent de kritiek op de interne instructie en werd deze vernietigd, waardoor er dreigde een juridisch vacuüm te ontstaan. De herinvoering van een wettelijke regeling op korte termijn was dan ook nodig (en zou bovendien tegemoet kunnen komen aan enige budgettaire behoeften).

Alhoewel de wet nog wel zijn parlementaire weg verder moet afleggen, zal er waarschijnlijk niet veel meer zal gewijzigd worden aan het ontwerp. Hieronder worden de nieuwe regels dan ook reeds nader toegelicht worden.

Lijkt op herinvoering van de regels van de laatste ronde fiscale regularisatie (regularisatie ‘ter’), maar…

Niettegenstaande het ontwerp van wet zal ingevoerd worden als een alleenstaande wet, worden de facto grote delen van de Programmawet van 2005 terug ingevoerd, ten minste zoals deze was gewijzigd met ingang van 2 juli 2013 (en gold tot 31 december 2013) (regularisatie “ter”).

Bij vergelijking van de teksten vallen de gelijkenissen immers zeer duidelijk op: mogelijkheid tot regularisatie van fiscaal verjaarde kapitalen, tariefverhoging, (betwistbare) niet verrekening van woonstaatheffing, sociale regularisatie voor zelfstandigen…

Niettemin zijn er ook zeer belangrijke verschilpunten.

Het meest opmerkelijke verschil is dat het per 2 juli 2013 ingevoerde onderscheid tussen fiscale regularisatie van “gewone” fiscale fraude en de regularisatie van “ernstige en georganiseerde fiscale fraude waarbij bijzonder ingewikkelde mechanismen of procedés van internationale omvang worden aangewend” (met bijkomende tariefverhoging van 5%) verdwijnt. Het is blijkbaar voor de wetgever ook niet mogelijk om een duidelijk onderscheid te maken tussen gewone fiscale fraude en ernstige fiscale fraude.

De andere belangrijke verschillen betreffen (1) de vraag naar het bewijs omtrent het ondergaan van het geëigende fiscale regime voor de bedragen opgenomen in de aangifte, (2) het feit dat de regionale belastingen (wat vooral gevoelig ligt voor de successierechten) uitdrukkelijk worden uitgesloten (tenzij alsnog een samenwerkingsakkoord met de gewesten worden gesloten) (waardoor de regeling eigenlijk beperkt wordt tot een federale fiscale regularisatie) en (3) de gestaag stijgende tarieven naar de toekomst toe.

Hieronder wordt de globale regeling toegelicht zoals deze waarschijnlijk zal ingevoerd of heringevoerd worden, dit ten einde het overzicht te kunnen bewaren op de gehele regeling.

Personeel toepassingsgebied blijft behouden

De mogelijkheid tot regularisatie is voorzien zowel voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen. Met natuurlijke personen beoogt men de rijksinwoners onderworpen aan de personenbelasting en de niet-rijksinwoners onderworpen aan de belasting niet-inwoners. Met het begrip rechtspersonen beoogt men alle binnenlandse vennootschappen onderworpen aan de vennootschapsbelasting en alle buitenlandse vennootschappen onderworpen aan de belasting niet-inwoners. De verenigingen zonder winstoogmerk of stichtingen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting (door de uitoefening van economische activiteiten) komen uiteraard ook in aanmerking. Ook de burgerlijke vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid (bedoeld in art. 29 WIB 1992) als rechtspersonen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting kunnen een regularisatie-aangifte indienen.

De aangifte kan ingediend worden door bovenvermelde natuurlijke persoon of rechtspersoon of door een gemachtigde. Als gemachtigde mag opnieuw enkel een van de personen beoogd in artikelen 2 en 3 van de Wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (preventieve witwaswetgeving) aangeduid worden. Hiermee worden onder andere beoogd de financiële instellingen (banken, levensverzekeringsondernemingen, beleggingsvennootschappen, vennootschappen voor vermogensbeheer, verzekeringsmakelaars...), notarissen, bedrijfsrevisoren, externe accountants, erkende boekhouders-fiscalisten en advocaten.

Materieel toepassingsgebied wordt anders omschreven

In principe kan men alle inkomsten, sommen, btw-handelingen en kapitalen en regulariseren (merk wel op dat in bepaalde artikels soms nog gewag gemaakt wordt van de oude begrippen “waarden” of “beroepsinkomsten” zoals men dit ook terugvond in de vroegere wetteksten zonder dat deze begrippen nog gedefinieerd worden). In principe kan dus alles geregulariseerd worden (binnenlandse of buitenlandse rekening, onroerende goederen, verzekeringsproducten...) omdat men melding moet maken van inkomsten, sommen, btw-handelingen of kapitalen die men oorspronkelijk niet heeft aangegeven.

De vermogens die ondergebracht zijn in een juridische constructie, buitenlandse verzekeringsproducten en vermogens op buitenlandse bankrekeningen worden expliciet vermeld in het voorliggend ontwerp, zonder dat dit evenwel vereist was. Klaarblijkelijk werd dit enkel vermeld om alle twijfel weg te nemen (en de link te leggen naar de vermeldingen dit thans reeds moeten verwerkt worden in de aangifte personenbelasting). Er wordt wel verduidelijkt dat het aanhouden van een vermogen in hoofde van een buitenlandse structuur, door de economisch begunstigde kan geregulariseerd worden. Het is daarbij de aangever die het bewijs moet aanbrengen dat hij de economische begunstigde is van het vermogen en de inkomsten ervan.

Er wordt een onderscheid ingevoerd tussen “inkomsten”, “sommen” en “btw-handelingen”. Het spreekt voor zich dat het hier om niet verjaarde inkomsten, sommen of btw-handelingen gaat daar in de gevallen waarin er verjaring is de inkomsten, sommen of btw-handelingen automatisch beschouwd worden als “fiscaal verjaarde kapitalen”.

Onder “inkomsten” worden alle bij het Contactpunt regularisaties aangegeven bedragen verstaan die in het jaar waarin zij zijn behaald normaal belastbaar zouden zijn geweest in de inkomstenbelasting. De regularisatieheffing inzake “inkomsten” is dus duidelijk geënt op de inkomstenbelasting vervat in het WIB 1992 en wordt berekend op het tarief van toepassing voor het belastbaar tijdperk waarin die inkomsten zouden zijn behaald. Zowel de gezamenlijk belastbare inkomsten als de afzonderlijk belastbare inkomsten zijn hier beoogd (onroerende, roerende, diverse en beroepsinkomsten).

Voor zover het gaat over inkomsten die behaald zijn vanaf 2014 (dus nadat de Zesde staatshervorming van toepassing is geworden) en waar het inkomsten van natuurlijke personen betreft, zijn de regels van de bijzondere financieringswet onverkort van toepassing. Dit betekent dat de aldus berekende basisbelasting wordt gereduceerd en op het gereduceerde bedrag worden de aanvullende opcentiemen voor de gewesten toegepast. Het staat de gewesten volledig vrij om binnen de limieten van de bijzondere financieringswet daarbij hun bevoegdheden uit te oefenen. Zo kunnen zij bepalen of al dan niet op de gewestelijke opcentiemen nog gewestelijke belastingverminderingen verrekenbaar zijn. Uit de combinatie van de bestaande financieringswet en het feit dat het hier, wat de natuurlijke personen betreft, om “personenbelasting” gaat, volgt automatisch dat die heffing deel uitmaakt van de “Belasting Staat” en er dus gewestelijke opcentiemen zullen worden berekend. Dit houdt dus in dat in principe 74,01 % naar het federale niveau gaat en de autonomiefactor (thans 25,99 %) naar de gewesten.

Onder “sommen” worden de sommen (en waarden) verstaan die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte die door een rechtspersoon of door een natuurlijke persoon wordt ingediend bij het Contactpunt, wanneer deze aantoont dat deze sommen en waarden in het jaar waarin zij werden behaald of verkregen onder de toepassing van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten vallen, voor zover ze betrekking hebben op niet in artikel 3, eerste lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, vermelde registratierechten of onder de toepassing vallen van het Wetboek diverse rechten en taksen (uitsluiting van belastingen die tot de bevoegdheid van de gewesten behoort).

De “geregulariseerde BTW-handelingen” zijn alle aan BTW onderworpen handelingen die worden opgenomen in een regularisatie-aangifte door een rechtspersoon of een natuurlijke persoon.

In het kader van de fiscale regularisatie zal men dus opnieuw een onderscheid maken tussen vier categorieën: “geregulariseerde inkomsten” (zowel beroepsinkomsten als andere inkomsten), “geregulariseerd sommen”, “geregulariseerde BTW-handelingen” en “fiscaal verjaarde kapitalen”. Dit onderscheid vindt men steeds terug doorheen heel de fiscale regularisatieregeling. Het zijn deze bedragen die men zal moeten opnemen in de regularisatie-aangifte voor het bekomen van een regularisatie-attest.

Bewijslast aangever wordt evenwel verzwaard

De aangever moet het volledige bedrag van de inkomsten, sommen, btw-handelingen en fiscaal verjaarde kapitalen aangeven, tenzij hij/zij aantoont aan de hand van schriftelijk bewijs, desgevallend aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen, dat de inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de fiscaal verjaarde kapitalen hun normale belastingregime hebben ondergaan. Zo wordt een actieve rol toebedeeld aan de aangever inzake bewijsvoering. Tevens wordt het bewijsrisico bij deze aangever gelegd.

Bij een regularisatie kan het immers zijn dat een deel van de inkomsten, sommen, btw-handelingen en kapitalen hun normale belastingregime reeds hebben ondergaan. Vanzelfsprekend moet er op die inkomsten, sommen, btw-handelingen en kapitalen niet nog eens een regularisatiehefing betaald worden. De wetgever beoogt niets anders dan duidelijk vast te leggen wat er moet worden geregulariseerd in dat geval. Het is aan de aangever om aan te tonen welke inkomsten, sommen, btw-handelingen en fiscaal verjaarde kapitalen hun normale belastingregime hebben ondergaan.

De inkomsten, de sommen, de btw-handelingen en de fiscaal verjaarde kapitalen, dan wel het gedeelte ervan waarvan de aangever niet kan aantonen dat ze hun normale belastingregime hebben ondergaan zoals hierboven vermeld, moeten worden geregulariseerd.

In de ontwerp memorie van toelichting word er een voorbeeld ter verduidelijking gegeven: In het jaar 2009 opent de aangever een bankrekening in Luxemburg. Het beginkapitaal waarmee hij deze rekening opent, heeft zijn normale belastingregime ondergaan. Dit beginkapitaal brengt roerende inkomsten op die vervolgens niet worden aangeven. Bovendien groeit de bankrekening aan met zwarte inkomsten van de aangever. Het beginkapitaal is dus niet besmet, doch de inkomsten hierop wel evenals de bijkomende stortingen van zwarte inkomsten. Dit alles zorgt ervoor dat het initieel wit kapitaal met de jaren grijs is geworden. De aangever moet middels schriftelijk bewijs desgevallend aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen aantonen welk deel van de fondsen op de Luxemburgse bankrekening zijn normale belastingregime heeft ondergaan. Dat deel dient niet te worden geregulariseerd; het andere deel wel. Het bewijsrisico ligt hierbij bij de aangever; niet bij de overheid.

Cruciaal in deze benadering zal uiteraard de bewijslast zijn die in de praktijk zal verlangd wordt van de aanvrager. Op dit punt blijft het wetsontwerp in het vage (zij het wel minder negatief dan eerdere ontwerpen), zodat het te hopen is dat dit in het parlement nader wordt besproken. M.i. mag deze bewijslast echter niet te zwaar zijn. Stel immers dat men zou betrapt worden en er een strafrechtelijke vervolging gebeurd voor witwasmisdrijven, dan heeft in die hypothese het parket de bewijslast om aan te tonen welk deel van het vermogen geen legale oorsprong kan hebben en hierbij kan ook niet volstaan worden met eenvoudige beweringen en geldt daarenboven het vermoeden van onschuld (en dus legale oorsprong). Vermits het wetsontwerp gewag maakt van een bondige verklaring over de oorsprong van de kapitalen (zie verder praktische werkwijze), zijn er indicaties dat de vereiste van schriftelijk bewijs niet te beperkt mag worden geïnterpreteerd en inderdaad maar het begin van bewijs zal vormen. Dit wordt overigens ook bevestigd door de Memorie van Toelichting die stelt dat “de aangever is verantwoordelijk voor de juistheid van de bedragen vermeld in de regularisatieaangifte”. Er wordt tevens in aangeduid dat indien later de fiscus of het parket kan aantonen (bewijslast rust dus bij hen) dat er bepaalde inkomsten of kapitalen ten onrechte niet werden aangegeven, het attest geen uitwerking zal hebben voor de niet aangegeven bedragen (maar ook enkel daarvoor).

De kostprijs van fiscale regularisatie: opnieuw hogere tarieven

Voor de inkomsten aangegeven in de regularisatie-aangifte zal men een regularisatie-attest bekomen na betaling van het “normaal verschuldigde belastingtarief”. Rekening houdende met de hoedanigheid van de aangever (natuurlijke persoon of rechtspersoon) worden de geregulariseerde inkomsten, onderworpen aan een heffing gelijk aan het normale tarief inzake inkomstenbelastingen van toepassing voor het belastbare tijdperk waarop deze inkomsten betrekking hebben, verhoogd met 20 procentpunten (in de regularisatie ter was dit nog 15% (+5% bij ernstige en georganiseerde fiscale fraude)). De voorziene heffing omvat daarenboven de aanvullende gemeentebelasting om aldus pogingen tot het vermijden van deze heffing via een regularisatie tegen te gaan. In voorkomend geval omvat de heffing eveneens de aanvullende agglomeratiebelasting en/of de aanvullende crisisbelasting.

Merk op dat opnieuw de verrekening van de ingehouden woonstaatheffing zal worden geweigerd (dit werd wel toegestaan in de interne instructie), net zoals de verrekening van alle andere mogelijke belastingverminderingen of belastingkredieten.

De geregulariseerde sommen ondergaan een heffing gelijk aan hun normaal belastingtarief (bijvoorbeeld de verzekeringstaks) dat van toepassing was in het belastbaar tijdperk waarin de sommen werden behaald of verkregen. De aldus bekomen heffing wordt ook verhoogd met 20 procentpunten. Dit heeft soms verregaande en verbazingwekkende bestraffing tot gevolg, zo zal bijvoorbeeld voor de verzekeringstaks tot gevolg hebben dat tarieven van bijvoorbeeld 1,1%, 2% of 4,4% verhoogd worden tot 21,1%, 22% of 24,4% wat toch wel onevenredige ‘bestraffingen’ inhouden.

De geregulariseerde btw-handelingen worden onderworpen aan een heffing tegen het btw-tarief van toepassing op de geregulariseerde handelingen op het ogenblik waarop ze plaatsvonden verhoogd met 20 percentpunten, behalve in de gevallen waarin de regularisatieaangifte eveneens aanleiding geeft tot regularisatie van die handelingen als beroepsinkomsten waarbij de daaraan verbonden heffing reeds verhoogd werd met 20 percentpunten. M.a.w. de verhoging van 20 percentpunten zal in dat geval enkel toegepast worden op het tarief van toepassing in de inkomstenbelasting. Merk evenwel op dat het begrip ‘beroepsinkomsten’ (dat voorzien was in de vroegere stelsels) niet meer werd behouden in het nieuwe stelsel, het regulariseren als ‘inkomsten’ zal dus moeten volstaan.

Indien bovenvermelde belastingen betaald zijn voor de geregulariseerde inkomsten,  sommen of btw-handelingen, krijgt de aangever de garantie dat deze bedragen voor het overige niet meer onderworpen zijn of kunnen worden aan enige belasting. Dit geldt zowel voor de belasting, als voor de belastingverhogingen, nalatigheidsinteresten en boetes.

Noch de regularisatie-aangifte, noch de regularisatieheffing, noch het regularisatie-attest mogen als indicie of aanwijzing worden aangewend om fiscale onderzoeks- of controleverrichtingen uit te voeren, om mogelijke inbreuken op de belastingwetgeving te melden of om inlichtingen uit te wisselen, behalve met betrekking tot vaststelling van de als gevolg van de aangifte verschuldigde heffing, in de gevallen waar het gaat om een federale belasting of een gewestelijke belasting waarvoor de federale overheid de dienst verzekert en waarvoor een samenwerkingsakkoord is afgesloten.

Afzonderlijk tarief voor fiscaal verjaarde kapitalen

Opnieuw zal er een duidelijk regime gelden voor “fiscaal verjaarde kapitalen”. Gezien de fiscale administratie geen heffingsbevoegdheid meer kan uitoefenen ten aanzien van deze kapitalen heeft het regularisatieattest enkel een nuttig gevolg voor de aangever omwille van de strafrechtelijke immuniteit.

Dit regime van fiscaal verjaarde kapitalen zal kunnen/moeten gecombineerd worden met het regime van de fiscaal niet verjaarde inkomsten. Stel bijvoorbeeld een persoon die al 20 jaar inkomsten niet heeft aangegeven. Voor de laatste 7 jaar zal het regime gelden van de (fiscaal niet verjaarde) inkomsten (tarief + 20%) en voor alle overige jaren het regime van het kapitaal (kapitaal op 31/12/X-7 aan 36%).

De wetgever beoogt, enerzijds, de fiscaal verjaarde kapitalen die afkomstig zijn van fiscale misdrijven, en anderzijds, van fiscaal verjaarde kapitalen onder de vorm van levensverzekering, buitenlandse rekeningen of juridische constructies. De facto is de tweede categorie enkel een bijzonder verschijningsvorm van de eerste categorie.

De fiscaal verjaarde kapitalen zijn onderworpen aan een tarief van 36 percentpunten op het kapitaal. Er is bijgevolg opnieuw geen onderscheid tussen het soort kapitaal dat wordt geregulariseerd, waardoor in bepaalde gevallen oudere bedragen gunstiger belast worden dan recentere bedragen (bijvoorbeeld bij successies, beroepsinkomsten enz…), maar dit lijkt logisch vermits het enkel een “afkopen” is van een strafrechtelijk risico.

Verdere stijging in tarieven is reeds voorzien

De hierboven vermelde tarieven zullen in de toekomst gestaag stijgen (om de gegadigden aan te moedigen niet te lang te talmen).

Vanaf 1 januari 2017 wordt de tariefverhoging van 20% verhoogd tot 22% en wordt het tarief voor verjaard fiscaal kapitaal verhoogd van 36% naar 37%. Vanaf 1 januari 2018 stijgen voormelde percentages verder tot respectievelijk 23% en 38%, vanaf 1 januari 2019 respectievelijk 24% en 39% en vanaf 1 januari 2020 respectievelijk 25% en 40% (mogelijk betekent dit laatste dat tegen 2020 het maximumplafond bereikt is en niet noodzakelijk dat het einde van de fiscale regularisatie dan weer in zicht komt).

Naast fiscale immuniteit ook strafrechtelijke immuniteit

De immuniteit geldt uiteraard enkel voor de inkomsten, sommen en kapitalen die men regulariseert. De aangever is verantwoordelijk voor de juistheid van de bedragen vermeld in zijn regularisatieaangifte. Indien zou blijken dat de inkomsten, sommen, btw-handelingen of de aan te geven kapitalen geheel of gedeeltelijk niet werden vermeld in de regularisatieaangifte, dan kan het afgeleverde attest geen uitwerking hebben wat betreft de niet aangegeven inkomsten, sommen, btw-handelingen of kapitalen. Fiscale en strafrechtelijke vervolging is dan mogelijk, daarin begrepen eventueel voor witwas.

De aangever krijgt niet alleen de zekerheid dat hij geen bijkomende belastingen zal hoeven te betalen (zie hierboven), maar tevens krijgt hij de waarborg dat hij niet strafrechtelijk vervolgd zal worden voor fiscale fraude en fiscale valsheid. Dit geldt voor alle fiscale wetboeken, zelfs registratierechten. De wet vermeldt uitdrukkelijk volgende wetsbepalingen: art. 449 en 450 WIB 1992, art. 73 en 73bis W.BTW., art. 206 en 206bis W. Reg. en art. 207/1 en 207bis W.DRT (ten minste voor zover deze federale materie zijn). Deze immuniteit voor strafvervolging geldt ook voor de personen die mededader of medeplichtigen zijn.

Bovendien genieten zij ook van een strafrechtelijke immuniteit voor witwasmisdrijven (artikel 505 Strafwetboek), maar enkel inzoverre die betrekking hebben op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit fiscale fraude en fiscale valsheid zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, of op de inkomsten uit de belegde vermogensvoordelen. Door deze immuniteit zijn ook de financiële instellingen zeker dat de zij inkomsten en onderliggende kapitalen die werden geregulariseerd kunnen ontvangen zonder risico op het stellen van een strafrechtelijke witwashandeling.

De strafrechtelijke immuniteit is opnieuw uitgebreid tot misdrijven die nauw samenhangend zijn met fiscale fraude (zoals inbreuken op de boekhoudwetgeving of misbruik van vennootschapsgoederen). Deze misdrijven worden mee geviseerd (weliswaar niet voor mededaders en medeplichtigen). Er is ook immuniteit voor valsheid in geschrifte (art. 193-197 SW), misbruik van vertrouwen (art. 491 SW), misbruik van vennootschapsgoederen (art. 492bis SW), faillissementsmisdrijven (art. 489 tot 490bis SW) inbreuken op de boekhoudwet en op de maatregelen ter controle van grensoverschrijdend verkeer van liquide middelen, ten minste in de mate dat deze misdrijven gepleegd werd om fiscale misdrijven te plegen of te vergemakkelijken. Merk wel op dat de immuniteit niet gelijkaardig is. De betrokkenen zijn niet vrijgesteld van strafvervolging, maar zullen wel geen straf opgelegd kunnen krijgen (maar kunnen dus wel vervolgd worden). Er is dus enkel sprake van een ‘strafuitsluitende verschoningsgrond’. Dit alles doet echter geen afbreuk aan rechten van derden.

Om van deze strafrechtelijke immuniteit te kunnen genieten, dienen wel volgende voorwaarden vervuld te zijn: (1) de aangever of zijn medeplichtigen mogen vóór de indiening van de regularisatie-aangifte niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek uit hoofde van deze misdrijven, (2) er moet een regularisatie-aangifte zijn ingediend in overeenstemming met de wettelijke voorwaarden en (3) de regularisatieheffing moet definitief en zonder voorbehoud betaald zijn.

Regularisatie-aangifte is niet voor alles mogelijk

 In bepaalde gevallen zal de regularisatie-aangifte en de betaling van de heffing geen uitwerking hebben, uit de wettekst volgt dat dit zowel op fiscaal als op strafrechtelijk gebied het geval is (de strafrechtelijke immuniteit geldt immers enkel aan de regularisatie-aangifte onder de voorwaarden van de wet werd ingediend).

Dit is ondermeer het geval indien de aangever schriftelijk in kennis is gesteld van lopende specifieke onderzoeksdaden door een Belgische gerechtelijke dienst, een Belgische belastingadministratie, een sociale zekerheidsinstelling of een Belgische sociale inspectiedienst of de FOD Economie. In de wettekst vindt men de verduidelijking Belgische gerechtelijke dienst, Belgische belastingadministratie en Belgische sociale inspectiedienst of FOD Economie (deze laatste is noodzakelijk Belgisch). Dit vindt men niet voor een sociale zekerheidsinstelling, betekent dit dat de regularisatie-aangifte ook geen uitwerking zal hebben als een buitenlandse sociale zekerheidsinstelling een specifieke onderzoeksdaad heeft gesteld? Vermoedelijk hebben we hier nogmaals te maken met een vergetelheid van de wetgever.

De regularisatie zal ook geen uitwerking vinden indien deze betrekking heeft op inkomsten die afkomstig zijn van de realisatie van een witwasoperatie (behoudens wanneer de inkomsten of kapitalen enkel afkomstig zijn van fiscale fraude) of van een onderliggend misdrijf zoals bedoeld door artikel 3 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Hier worden onder meer beoogd: terrorisme of financiering van terrorisme, georganiseerde misdaad, illegale drugshandel, illegale handel in wapens, handel in clandestiene werkkrachten (koppelbazerij), mensenhandel, exploitatie van prostitutie,.. Worden evenwel expliciet uitgesloten (en kunnen dus wel geregulariseerd worden): ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, misbruik van vennootschapsgoederen en misbruik van vertrouwen.

De fiscale regularisatie zal ook geen uitwerking hebben indien er al een andere regularisatieaangifte is gedaan ten behoeve van aangever. M.a.w. de regularisatie-aangifte is eenmalig. Men moet dan ook lang genoeg wachten om te regulariseren (opdat zoveel mogelijk zou kunnen regulariseren), maar ook weer niet te lang opdat er nog geen onderzoeksdaden zouden gesteld worden. Maar bij deze nieuwe ronde, wordt de teller van de aangiftes weer op nul gezet (vanaf 1 april 2016). Er wordt dus de mogelijkheid geboden aan diegenen die reeds eerder een regularisatieaangifte ingediend hebben (onder een van de vorige geldende stelsels), om indien nodig, opnieuw een regularisatie-aangifte in te dienen. Het Contactpunt regularisatie zal zich zodanig organiseren dat kan worden opgevolgd dat er slechts één aangifte per aangever wordt ingediend onder het in deze wet bedoelde nieuwe regularisatiesysteem.

Praktische werkwijze voor regularisatie

De regularisatie-aangifte zal opnieuw moeten ingediend worden bij het “Contactpunt fiscale regularisaties” volgens de gekende regels. Onderliggende stukken zullen wel tot 6 maanden na indiening kunnen toegevoegd worden. Er wordt bovendien verduidelijkt dat stukken die overlegd worden naar aanleiding van een regularisatieaangifte en die geen betrekking hebben op de geregulariseerde bedragen, worden geacht geen deel uit te maken van de regularisatieaangifte en kunnen zodoende later niet tegengeworpen worden aan een binnenlandse of buitenlandse, administratieve of rechterlijke instantie of financiële instelling.

Opnieuw dient er bij de aangifte wel bijkomend een bondige verklaring gevoegd te worden omtrent het fraudeschema, de omvang en oorsprong van de geregulariseerde inkomsten, sommen, btw-handelingen en kapitalen de periode waarin deze zijn ontstaan en de voor de geregulariseerde bedragen gebruikte financiële rekeningen. De bondige verklaring omtrent het fraudeschema en de omvang van het kapitaal betekent dat een beschrijving van de historische oorsprong en de opbouw van het vermogen wordt gegeven door degene die regulariseert.

Voor het overige blijven de gekende regels gelden (betaling binnen de 15 dagen van regularisatieheffing, regularisatieattest…). De rol en tussenkomst van de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI of witwascel) wordt behouden. Het Contactpunt regularisaties brengt de CFI op de hoogte van de regularisatie die wordt gesloten en bezorgt het een kopie van het regularisatieattest en de bijkomende informatie met uitzondering van het fraudeschema om deze in staat te stellen de opdrachten die haar zijn toegewezen door de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, uit te voeren.

Zoals hoger vermeld, zal noch de aangifte, noch de heffing, noch het attest als indicie of aanwijzing mogen aangewend worden om fiscale onderzoeks- of controleverrichtingen uit te voeren, om mogelijke inbreuken op de belastingwetgeving te melden of om inlichtingen uit te wisselen, behalve met betrekking tot vaststelling van de als gevolg van de aangifte verschuldigde heffing, in de gevallen waar het gaat om een federale belasting of een gewestelijke belasting waarvoor de federale overheid de dienst verzekert en waarvoor een samenwerkingsakkoord is afgesloten.

In het nieuwe systeem wenst de wetgever bovendien elke mogelijkheid tot betwisting na regularisatie uit te sluiten. Er wordt meermaals vermeld dat de regularisatie vereist dat er zonder enige voorbehoud en definitief wordt betaald. De wetgever verantwoordt dit door te stellen dat het hier om een uitzonderingsprocedure gaat, zodat het systeem ook niet toelaat dat er een administratieve of een gerechtelijke bezwaarprocedure wordt ingesteld. De heffing is definitief en onherroepelijk. Slechts een definitieve betaling zonder enig voorbehoud van de vastgestelde heffing geeft fiscale immuniteit.

Regularisatie van sociale bijdragen van zelfstandigen

 De zelfstandige kan ook opnieuw zijn ontdoken sociale bijdragen regulariseren. Deze mogelijkheid geldt enkel voor de niet verjaarde sociale bijdragen (hierbij wordt in de wettekst rekening gehouden met de wijzigingen die ter zake werden doorgevoerd inzake sociale bijdragen). Hier is m.a.w. geen regeling voorzien voor oudere bijdragen, wat lijkt aan te duiden dat deze definitief zijn verjaard en men hiervoor niet meer kan verontrust worden.

Het tarief is 15% van de beroepsinkomsten (wederom wordt hier de term ‘beroepsinkomsten’ gebruikt dat niet meer gedefinieerd wordt en dat zijn oorsprong vindt in de oude wettelijke regelingen) en hierop zijn geen verhogingen of interesten van toepassing. Deze betaling is niet aftrekbaar als beroepsuitgave en geeft ook geen recht op bijkomende prestaties.

Na betaling geniet de aangever ook sociaalrechtelijke immuniteit. De regularisatieaangifte kan niet als indicie of aanwijzing voor een sociaal onderzoek/controle aangewend worden.

Ook het voormelde tarief voor de sociale regularisatie zal in de toekomst ook gestaag stijgen. Vanaf 1 januari 2017 wordt het tarief van 15% verhoogd tot 17%, vanaf 1 januari 2018 tot 18%, vanaf 1 januari 2019 tot 19% en vanaf 1 januari 2020 tot 20%.

Uitkijken naar de samenwerkingsakkoorden met de gewesten

Indien de gewesten voor de hen in de financieringswet toegewezen gewestbelastingen, waarvoor de federale overheid de dienst van de belastingen verzekert, een regularisatie wensen, moet er een  samenwerkingsakkoord worden afgesloten. Tenzij anders bepaald in het hiervoor bedoelde samenwerkingsakkoord heeft de in deze wet bedoelde regularisatieaangifte enkel betrekking op federale belastingen. Zeker voor dossiers waar een gewestoverschrijdende problematiek aanwezig is, zal dit problemen kunnen geven als niet elk gewest dergelijk akkoord sluit.

Dergelijk samenwerkingsakkoord ontheft de gewesten echter niet van hun verplichting een eigen decreet of ordonnantie te treffen waarin zij de contouren van de regularisatie van de gewestelijke belastingen vastleggen.

Het kan enkel aangemoedigd worden dat er terug een wettelijke regeling komt na het verdwijnen van de interne instructie. Uiteraard zal de praktijk moeten uitwijzen hoe de nieuwe regels in de praktijk zullen ingevuld worden. Voor de belastingplichtigen lijkt dit evenwel nu echt wel de ‘laatste’ kans te worden, de kans dat dit systeem (gelet op de steeds vorderende gegevensuitwisseling) onbeperkt behouden blijft lijkt immers gering.