Management Buy-In: spannend én uitdagend

Op Donderdag 7 juni organiseerde Sherpa Law in de Drongense S.M.A.K lounge, in samen werking met 3W Executive Interim Management alsook met onze partner Business Coaches Networks en Moore Stephens Belgium, een interactieve lezing omtrent Management Buy-In (MBI).

Filip Van de Vliet kwam zijn persoonlijke Management Buy-In ervaring delen. Lars Raedschelders gaf meer duiding over de financiering en juridische aspecten van een MBI.

Wat is Management Buy-In?

Een MBI is een vorm van bedrijfsovername waarbij een ervaren manager of ondernemer van buiten de onderneming, alleen of met een team, een geheel of een gedeeltelijk belang verwerft in een bestaande onderneming. De nieuwe eigenaar neemt vervolgens zelf de leiding in handen.

Filip is een 50-jarige ingenieur scheikunde met een mooi cv. Begin 2017 besloot Filip om zich met volledige toewijding op het MBI-project te storten. “MBI is niet zomaar iets dat je kan doen tussen de soep en de patatten”, weet Filip. 18 maanden later is hij medemanaging partner van het Business Coaches Network. Maar hoe is dit proces verlopen?

MBI 1.jpg

Een goede voorbereiding is cruciaal

Eens ik besloten had ervoor te gaan, komt het er op neer om het juiste bedrijf te vinden. Ga je voor een klein stuk van een groot bedrijf of voor 100% van een klein bedrijf? Het is heel belangrijk hiervoor grondig je huiswerk te maken en je netwerk te betrekken“, verduidelijkt Filip. “Er zijn verschillende manieren om in contact te komen met MBI-projecten, maar een eigen analyse en een proactieve benadering zorgen voor een grotere kans op slagen.

Volgens Filip is een MBI ook niet voor iedereen weggelegd. Zes cruciale voorwaarden om aan een MBI te starten zijn geduld, uithouding, lef, ondernemingszin, managementervaring en beschikbare fondsen. Ook is het voor de betrokken partijen belangrijk dat hun ego niet te groot is. “Je moet water bij de wijn kunnen doen of het wordt een onmogelijke uitdaging”, volgens Filip.

Je wil de sprong wagen! Maar wat nu? Een MBI is een multidisciplinaire oefening. Zo komen er verschillende rechtstakken bij te pas maar ook zijn er de bancaire en operationele aspecten. Het is belangrijk het juiste ‘deal team’ samen te stellen. Geen enkele MBI verloopt via dezelfde manier dus bestaat er geen standaardcontract.

Financiering: geen sinecure

Ook de financiering dient een weloverwogen keuze te zijn. Een louter private aankoop is zelden aangewezen. Je kan namelijk enkel het interestgedeelte aftrekken voor je persoonlijke belastingen. Hierdoor zit je met een grote fiscale lekkage waardoor je een heel grote omzet moet draaien. Bij een aankoop via holding is een cashdeviatie vereist. In de praktijk gaat men hier soms te licht over met weinig aandacht voor de fiscale consequenties. Er dient een uitgekiend plan opgesteld te worden dat rekening houdt met enorm veel (gekende en minder gekende) technische voorwaarden.

Voor het comfort van de overname en de overnemer is er ook de mogelijkheid dit te doen in combinatie met ‘debt push down’. Dit betekent dat de financiering van de overname gebeurt met middelen van de target. “Het is geen eenvoudig proces, maar het maakt de overdracht juridisch en financieel wel veel eenvoudiger” legt Lars uit. Voor de uitgebreide technische uitleg verwijzen we u graag naar de slides.

MBI 2.jpg

Het onderhandelingsproces

Naarmate het onderhandelingsproces vordert, stijgt ook de aansprakelijkheid. Zoals duidelijk blijkt uit bovenstaande tabel. Daarom is het cruciaal om een goede letter of intent (LOI) op te stellen. Deze bevat de voorwaarden waarvoor partij(en) bereid is/zijn om onderhandelingen voort te zetten of om een overeenkomst aan te gaan. Het heeft een drieledig doel:

1.       Uitlijnen van het overnameproces

2.       Creëren van beschermingsmechanismen tijdens of bij afbreking van de onderhandeling

3.       Limiteren van de risico’s op financieel vlak en/of tijdsverlies

Met een iets uitgebreidere LOI vermijd je dus verrassingen en kosten achteraf.

Voor meer informatie omtrent Management Buy-In kan je de verschillende partners vrijblijvend contacteren. Wij helpen jou met plezier verder tijdens dit spannend maar uitdagend proces.

Interesse in MBI? Volg onze website en blijf op de hoogte van ons aankomende event in oktober.

MBI 3.jpg

Het UBO-register komt er snel aan !

De oprichting van het register van de uiteindelijk begunstigde, bekend als het UBO-register, komt eraan. Deze verplichting wordt opgelegd door de Vierde Antwitwasrichtlijn.

Tijdens de maand augustus zullen alle bedrijven en rechtspersonen zich kunnen registreren in de applicatie die wordt beheerd door de FOD Financiën, Afdeling Thesaurie.

Teneinde alle betrokkenen op de best mogelijke manier te informeren en voor te bereiden, geven we hieronder een kort overzicht van dit UBO-register.

In de loop van de volgende weken zal het register van de uiteindelijke begunstigden, ook het UBO-register genoemd (dat staat voor Ultimate Beneficial Owner, de Engelse term voor uiteindelijke begunstigde), online beschikbaar zijn. Alle juridische ondernemingen en entiteiten zullen met het register verbinding kunnen maken en zullen verplicht worden om de informatie over hun uiteindelijke begunstigde(n) te registreren.

  • Wat is het UBO-register?

Het UBO-register is een centraal register van de uiteindelijke begunstigden van ondernemingen, (internationale) vzw’s, stichtingen, trusts en fiducieën.

Dergelijke entiteiten zijn verplicht:
- om gepaste, accurate en bijgewerkte informatie over hun uiteindelijk begunstigde(n) bij te houden, met inbegrip van verduidelijkingen over de aard en de omvang van het effectieve belang,
- om het UBO-register van de eerder genoemde informatie op de hoogte te brengen (Alle wijzigingen van die informatie moeten ook binnen de maand worden geregistreerd)

  • Wie is betrokken?

De ondernemingen, (internationale) vzw’s, stichtingen, trusts, fiducieën en andere vergelijkbare juridische constructies zijn verplicht om de informatie over hun uiteindelijke begunstigde(n) in het register te plaatsen via hun wettelijke vertegenwoordigers die verantwoordelijk worden gehouden voor de juistheid van de gegevens in het register.

  • Hoe registeren?

U kunt het UBO-register raadplegen via het portaal MyMinfinPro of via de website (tabblad E-services, UBO-register).
Een FAQ en een gebruikershandleiding in verband met de toepassing worden in de loop van de maand augustus beschikbaar om u te ondersteunen bij de registratie van uw gegevens in het register.

  • Newsletter

Er wordt een Newsletter gemaakt waarin informatie aan de betrokken personen en entiteiten wordt bezorgd.
Daarin staan de recentste inlichtingen en updates over het UBO-register.

Interesse? Aarzel niet om een inschrijvingsformulier in te vullen en terug te sturen naar dit mailadres

Wenst u meer informatie? Heeft u een vraag? Aarzel niet om onze website te raadplegen of Alain Claes per e-mail te contacteren .

 

Vijfde antiwitwasrichtlijn (EU 2018/843) gepubliceerd !

Iets meer dan 3 jaar na de de publicatie van Vierde Antwitwasrichtlijn (EU 2015/849) op 5 juni 2015, voert Europa de strijd tegen het witwassen nogmaals verder op. Op 19 juni 2018 werd in het Publicatieblad immers de "Richtlijn EU 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van de Richtlijn 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138 EG en 2013/36/EU" gepubliceerd.

We overlopen hierna kort de belangrijkste wijzigingen:

1. Uitbreiding toepassingsgebied

Er worden een aantal bijkomende personen onderworpen aan de verplichtingen van de strijd tegen witwassen:

  • iedere persoon die zich ertoe verbindt als voornaamste bedrijfs- of beroepsactiviteit, rechtstreeks of via andere met hem gelieerde personen materiële hulp, bijstand of advies op belastinggebied te verlenen (elke fiscale adviseur wordt geviseerd);

  • vastgoedmakelaars moeten ook geviseerd worden als zij enkel optreden als tussenpersoon bij de verhuur van onroerend goed, maar alleen met betrekking tot transacties waarvoor de maandelijkse huurprijs 10 000 EUR of meer bedraagt (merk op dat in België vastgoedmakelaars al geviseerd worden indien zij tussenkomen bij de bemiddeling van verhuur);

  • aanbieders die zich bezighouden met diensten voor het wisselen tussen virtuele valuta en fiduciaire valuta en aanbieders van bewaarportemonnees (virtuele munten worden dus geviseerd) (er moet ook voorzien worden in een registratieverplichting voor deze aanbieders);

  • personen die handelen in of als tussenpersoon optreden bij de handel in kunstwerken, ook wanneer deze handel wordt uitgevoerd door kunstgalerijen en veilinghuizen, indien de waarde van de transactie of een reeks van onderling samenhangende transacties 10 000 EUR of meer bedraagt en personen die kunstwerken opslaan of verhandelen of als tussenpersoon optreden bij de handel in kunstwerken wanneer deze wordt uitgevoerd door freeports, indien de waarde van de transactie of een reeks van onderling samenhangende transacties 10 000 EUR of meer bedraagt (kunsthandel wordt dus geviseerd).

2. Verdere verscherping identificatie- en waakzaamheidsverplichting

Er wordt verduidelijkt dat niet alleen nieuwe cliënten maar ook bestaande cliënten kunnen onderworpen worden aan cliëntenonderzoeksmaatregelen naargelang de risicogevoeligheid. Tevens wordt er verduidelijkt dat voor bepaalde transacties (complex, ongebruikelijk groot, ongebruikelijk patroon, geen duidelijk economisch of rechtmatig doel) er meen aandacht zal moeten besteed worden aan de achtergrond en het doel van de verrichting.

Voor geïdentificeerde derde landen met een hoog risico dienen er verscherpte cliëntonderzoeksmaatregelen te worden toegepast.

De gegevens die nodig zijn om trusts en andere juridische constructies en hun uiteindelijke begunstigden te bepalen worden verder verduidelijkt.

Elke lidstaat moet een lijst aanleggen van de exacte functies die beoogd worden als prominente publieke functies (PEP's) en dient deze lijst up-to-date te houden. Deze lijsten zullen door de Europese Commissie gebundeld worden tot één lijst en openbaar gemaakt worden.

Er worden tevens bijkomende vereisten voorzien die de lidstaten moeten opleggen teneinde het UBO-register volledig en accuraat te houden. Lidstaten kunnen voorzien dat informatie uit het UBO-register beschikbaar wordt gesteld op voorwaarde dat de persoon die inzage wenst, zich online registreert en een vergoeding betaalt, die niet meer mag bedragen dan de administratieve kosten voor het beschikbaar stellen van de informatie, met inbegrip van de kosten voor het bijhouden en ontwikkelen van het register.  Deze toegang kan wel beperkt worden indien dit de uiteindelijk begunstigde zou blootstellen aan een onevenredig risico, een risico op fraude, ontvoering, chantage, afpersing, pesterijen, geweld of intimidatie of indien de uiteindelijkbegunstigde minderjarig of anderszins handelingsonbekwaam is. De nationale UBO-registers zullen worden gekoppeld via een Europees platform.

3. Centraal register van houders van rekeningen/kluizen en onroerende goederen.

De lidstaten voorzien in gecentraliseerde automatische mechanismen, zoals centrale registers of centrale elektronische systemen voor gegevensontsluiting, die de tijdige identificatie mogelijk maken van alle natuurlijke of rechtspersonen die houder zijn van of zeggenschap hebben over betaalrekeningen en bankrekeningen met een IBAN-identificatienummer, alsook over kluizen die worden aangehouden door een kredietinstelling op hun grondgebied. Deze registers zullen toegankelijk moeten zijn voor de FIE's.

De lidstaten verlenen de FIE’s en de bevoegde autoriteiten toegang tot informatie die het mogelijk maakt alle natuurlijke of rechtspersonen die eigenaar zijn van onroerend goed, tijdig te identificeren, onder meer door middel van registers of elektronische systemen voor gegevensontsluiting voor zover dergelijke registers of systemen beschikbaar zijn.

Uiterlijk tegen 31 december 2020 zal beslist worden of een koppeling van deze registers op Europees niveau aangewezen is.

4. Betere doorstroming informatie

Bevoegde autoriteiten en andere FIE's (financiële inlichtingseenheden) moeten vrij toegang krijgen tot het UBO-register.  De bevoegde autoriteiten zijn deze waaraan taken zijn toegewezen op het gebied van de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, alsook belastingautoriteiten, toezichthouders van meldingsplichtige entiteiten en autoriteiten die de opdracht hebben het witwassen van geld, daarmee verband houdende basisdelicten en terrorismefinanciering te onderzoeken of te vervolgen en criminele activa op te sporen en in beslag te nemen of te bevriezen en te confisqueren.

De riscoanalyse op Europees niveau en op niveau van elke lidstaat zullen moeten worden gecommuniceerd onderling opdat men er kennis kan van nemen. Dit sluit aan bij de cascade-regeling die reeds voorzien werd bij de Vierde Antiwitwasrichtlijn opdat elke sector, maar ook elke entiteit kan overgaan tot een eigen risicoanalyse op basis van de analyses die reeds werden uitgevoerd.

Lidstaten kijgen ook heel wat verplichtingen om beter statistisch materiaal te verzamelen om de strijd tegen witwassen beter te kunnen opvolgen.

Tevens moet er een betere internationale samenwerking komen.

De Wet van 18 september 2017 wordt thans geïmplementeerd in de diverse bedrijfssectoren, maar het is duidelijk dat men zich al kan voorbereiden dat er nog nieuwe maatregelen zullen volgen. Implementatie moet gebeuren uiterlijk 10 januari 2020.

Wie vragen heeft over dit alles kan gerust contact nemen met alain.claes@sherpalaw.be

Vernietiging standpunt 15004 over gesplitste aankoop en gesplitste inschrijving – update

Aloude interpretatie inzake “bedekte bevoordeling” en tegenbewijs herleeft

Dat de Raad van State het omstreden standpunt 15004 van Vlabel vernietigde, is ondertussen welbekend.

Vlabel heeft in een bericht op zijn website gesteld dat hij “bij toekomstig te behandelen dossiers het vernietigde standpunt niet zal langer toepassen.”

Even kon nog twijfel rijzen over de vraag hoe deze mededeling moest gelezen worden : uit een louter formele lezing zou dan besloten kunnen worden dat Vlabel het vernietigde standpunt als dusdanig niet meer automatisch zou toepassen (wat logisch is, wegens de vernietiging ervan). Daarmee was echter niet gezegd dat Vlabel ook de wetsinterpretatie die tot dit standpunt had geleid, zou achterwege laten. In de wandelgangen vernemen wij thans dat Vlabel ook afstand neemt van de (fout gebleken) interpretatie van het begrip “bedekte bevoordeling” en dat aldus de aloude interpretatie inzake het tegenbewijs weer aanvaard wordt : een voorafgaande schenking kan dus het vermoeden van een bedekte bevoordeling ontkrachten, ook al werd zij niet onderworpen aan de schenkbelasting.

Indien u belast werd door toepassing van dit vernietigde standpunt

Vlabel meldt dat een bezwaar kan worden ingediend binnen de drie maanden na verzending van het aanslagbiljet. Dit is natuurlijk correct.

Wij zijn van mening dat zich een vijfjarige termijn opent om teruggave van erfbelasting te vragen, hetzij vanaf 1 januari van het jaar waarin de aanslag gevestigd werd (toepassing van artikel 3.6.0.0.1 VCF – ambtshalve ontheffing), mogelijks zelfs vijf jaar vanaf 1 januari 2018 (toepassing van artikel 3.6.0.0.4 VCF – vermindering van het actief van de nalatenschap).

We geven nog mee dat ook voor Brusselse en Waalse successies een vergelijkbaar standpunt werd uitgevaardigd met betrekking tot de gesplitste aankoop. Hoewel dit niet vernietigd werd door de Raad van State (het vernietigingsberoep was enkel gericht tegen het Vlaamse standpunt), is het vandaag duidelijk dat ook deze standpunten gebaseerd zijn op een foutieve wetsinterpretatie. Wij menen dat ook erfgenamen die door het Brusselse of Waalse Gewest werden belast ingevolge deze wetsinterpretatie, teruggaaf kunnen vragen.

Voor de praktijk van estate planning

Het ziet er dus naar uit dat de niet-geregistreerde schenking met voorbehoud van vruchtgebruik weer kan aangewend worden zoals vroeger, zodat ook de Nederlandse route weer geopend is.

Het uitkeren van de burgerlijke vruchten uit de maatschap, zoals velen sedert boekjaar 2017 hebben gedaan, is door de vernietiging van het standpunt ook niet meer nodig.

Wie vragen heeft over dit alles kan gerust contact nemen met robby.ackermans@sherpalaw.be, peter.meeuwssen@sherpalaw.be, dirk.degroot@sherpalaw.be.

Gesplitste verkrijging en gesplitste inschrijving (blote eigendom – vruchtgebruik). Raad van State fluit Vlabel terug en vernietigt het omstreden standpunt 15004

Inleiding - Twee voorbeelden om het probleem te schetsen

a) Bij de dood van Armand blijkt dat hij de vruchtgebruiker was van een appartement aan de kust, en dat zijn enige dochter Joëlle daarvan de blote eigenaar is. Dit vruchtgebruik zal uitdoven door de dood van Armand, zodat Joëlle zonder enige erfbelasting nu “promoveert” van blote eigenaar naar volle eigenaar. Welnu, artikel 2.7.1.0.7 VCF (dat artikel 9 W. Succ. herneemt) gaat uit van het vermoeden dat vader bij de aankoop van dit appartement wel alles zal betaald hebben: zowel zijn deel (vruchtgebruik) als het deel van Joëlle (de blote eigendom). Als dat inderdaad zo is, dan heeft Joëlle bij die verwerving dus een geschenk gekregen dat geheim bleef voor de buitenwereld (een “bedekte bevoordeling”, zegt de wet). Voor de erfbelasting zal men doen alsof het appartement eigenlijk aan vader Armand toebehoorde en Joëlle zal erfbelasting moeten betalen over de volle waarde ervan. Zij kan daaraan ontsnappen door een tegenbewijs te leveren, waarover verder meer.

b) Bij de dood van Amandine blijkt dat zij als vruchtgebruiker van een effectenportefeuille stond ingeschreven bij de bank, terwijl haar zoon Marc als blote eigenaar stond ingeschreven. Vergelijkbaar met het voorgaande vermoedt de wet dat Amandine de effecten al “op naam van Marc” heeft gezet, gewoon door hem in de rekening te doen opnemen als blote eigenaar, wat dan weer een bedekte bevoordeling uitmaakt. Marc zal erfbelasting moeten betalen op de waarde van de effecten, tenzij hij een tegenbewijs levert.

Waaruit bestaat dit tegenbewijs ? Oud en nieuw !

Bij de gesplitste verwerving (geval van Armand en Joëlle) moet Joëlle (naast enkele andere zaken) aantonen dat zij de nodige persoonlijke gelden bezat om de blote eigendom van het appartement aan te kopen. Het is in dit verband van belang dat de blote eigenaar deze gelden bezat vóór de aankoop. De wijze waarop deze fondsen in zijn vermogen zijn gekomen, is van geen belang. De administratie heeft ettelijke tientallen jaren aanvaard dat deze gelden werden geschonken door de erflater (dus vader Armand) op voorwaarde dat deze schenking de aankoop voorafging. Dat was voldoende. Er werd niet vereist dat bij deze voorafgaande schenking schenkbelasting werd betaald. Als dus Joëlle kan aantonen dat vader haar een weekje voor de aankoop de centen had geschonken door een bankgift, zodat zij haar deel kon betalen, en zij ook effectief had betaald, dan ontsnapt zij aan de erfbelasting bij de dood van haar vader (tenzij vader na de schenking minder dan drie jaar in leven bleef, maar dat is een andere kwestie).

Vanaf 2013 veranderde de federale fiscus het geweer van schouder. Het standpunt van de federale Administratie in het Repertorium (Rep. R.J, nr. S9/06-07) luidt vanaf dan dat het tegenbewijs voor de bedekte bevoordeling niet langer kan worden geleverd door het bestaan van een voorafgaande schenking aan te tonen, tenzij die schenking aan het registratierecht (of schenkbelasting) werd onderworpen of tenzij de begiftigde vrij over de geschonken gelden heeft kunnen beschikken. Dit standpunt vindt op geen enkele wijze steun in de wet, wel integendeel. Het nieuwe standpunt werd van toepassing verklaard op alle rechtshandelingen vanaf 1 september 2013.

Vlabel heeft in zijn beslissing nr. 15004 van 6 juli 2015 gesteld deze zienswijze te volgen, waarbij als peildatum eveneens 1 september 2013 behouden bleef.

Voor Marc liggen de zaken in dezelfde lijn : hij moet aantonen dat de inschrijving van de effecten op zijn naam voor de blote eigendom, geen bedekte bevoordeling uitmaakt. Hij kan dat bijvoorbeeld doen door te verwijzen naar een aankoopakte waaruit blijkt dat hij die effecten heeft gekocht van zijn moeder. Of hij kan verwijzen naar een schenking, door zijn moeder aan hemzelf, waarbij zij zich het vruchtgebruik had voorbehouden. Als hij dit aantoont, dan is de inschrijving slechts een uitvoering van een eerder gestelde rechtshandeling (de aankoop, de schenking) en is het dus niet die inschrijving op zichzelf die een bedekte bevoordeling heeft tot stand gebracht. Tegenbewijs geleverd, en ook Marc betaalt geen erfbelasting op die effecten (tenzij moeder Amandine binnen de drie jaar na de schenking overleed, wat een ander vraagstuk uitmaakt).

Welnu : het federale standpunt van 2013 over de gesplitste aankoop (met name dat een voorafgaande schenking alleen als tegenbewijs kon worden aanvaard indien zij geregistreerd werd), werd door de federale administratie uitdrukkelijk  niet van toepassing verklaard op de gesplitste inschrijving van effecten ; als Marc kon bewijzen dat zijn moeder hem de effecten in blote eigendom had geschonken, dan was en bleef het tegenbewijs geleverd, ook al werd die schenking niet in België geregistreerd werd dus geen schenkbelasting betaald.

Vlabel van zijn kant, heeft het standpunt 15004 uitgebreid tot de gesplitste inschrijvingen van effecten ; voor Vlaamse successies moet een schenking van de blote eigendom van de effecten, die aan de gesplitste inschrijving voorafgaat, dus worden geregistreerd (en afgerekend!) opdat zij als tegenbewijs kan dienen zodat later geen erfbelasting verschuldigd is. Vooral voor de vele families die een effectenportefeuille of aandelen van hun vennootschap onderbrachten in een maatschap, en daarvan reeds deelbewijzen schonken met voorbehoud van vruchtgebruik, was deze beslissing belangrijk en was bijsturing noodzakelijk.

De Raad van State

Het standpunt 15004 van Vlabel werd aan de Raad van State voorgelegd met het verzoek dit vernietigen. En de Raad vernietigde.

In een zeer uitgebreid arrest van 44 pagina’s geeft de Raad zeer grondig de standpunten van de twee partijen (verzoeker tot vernietiging en Vlabel) weer.

Na zeer grondig onderzoek van de totstandkoming van de wet van 1919, waarin het vermoeden van een bedekte bevoordeling ingesteld werd alsmede van het te leveren tegenbewijs en na een uitgebreide studie van de verschillende administratieve standpunten (federaal en Vlabel) daarover doorheen de geschiedenis, komt de Raad tot het volgende besluit.

De interpretatie die Vlabel geeft aan artikel 2.7.1.0.7 VCF inzake het begrip “bedekte bevoordeling” en het te leveren tegenbewijs, strookt niet met de wet en is er strijdig mee. Noch uit de tekst van de wet, noch uit de parlementaire voorbereidingen, noch uit het gedrag en de opvattingen van de fiscale administratie zelf gedurende ettelijke decennia, kan worden afgeleid dat een voorafgaande schenking slechts een tegenbewijs kan uitmaken (van een bedekte bevoordeling) indien die schenking in België geregistreerd werd. Standpunt 15004 van Vlabel wordt integraal vernietigd.

Gevolgen en belang van dit arrest

Het grootste belang van dit arrest bestaat erin, dat de interpretatie die Vlabel heeft gegeven aan de notie van “bedekte bevoordeling” en het te leveren tegenbewijs in het kader van artikel 2.7.1.0.7 VCF als ongeldig wordt beschouwd wegens strijdigheid met het decreet. De vernietiging geldt jegens allen (“erga omnes”) en het standpunt wordt geacht nooit te hebben bestaan. De visie waarbij van een voorafgaande schenking werd vereist dat zij geregistreerd werd om als tegenbewijs te kunnen dienen, werd als niet wetsconform van de hand gewezen. Het schijnt ons dan ook toe dat VLABEL zich dus niet op het gebrek aan registratie van de voorafgaande schenking zal kunnen beroepen om het tegenbewijs af te wijzen.

Het gewezen arrest leert dat de Raad van State de wetshistorische interpretatie van het artikel 9 W.Succ. aangrijpt om tot zijn verdict te komen. Het arrest is op het vlak van de interpretatie dus niet alleen van belang voor nalatenschappen die op fiscaal vlak in Vlaanderen gesitueerd zijn, maar ook voor de successies die openvallen in Brussel of Wallonië. Hoewel het voorwerp van het geschil niet het federale standpunt over de voorafgaande schenking als tegenbewijs tot voorwerp had, is het duidelijk dat de interpretatie die de federale belastingadministratie sedert 2013 aanhoudt, evenzeer is afgewezen.

Wij raden iedereen aan die in Vlaanderen, Brussel of Wallonië werd belast overeenkomstig artikel 2.7.1.0.7 VCF of artikel 9 W. Succ. omdat een voorafgaande schenking niet werd aanvaard als tegenbewijs nu zij niet ter registratie werd aangeboden, door een expert te laten onderzoeken of en op welke wijze zij een teruggave van de belasting kunnen eisen. Het zou van behoorlijk bestuur getuigen, indien de fiscale overheid de belastingplichtigen meteen genoegdoening schenkt, zonder hen eerst tot procedure te dwingen.

Daarnaast stelt zich voor de praktijk van de estate planning weer de vraag of de bedoelde verrichtingen thans weer onbekommerd kunnen worden geadviseerd met voorafgaande schenkingen die niet ter registratie aangeboden worden.

Ten slotte is dit arrest een hart onder de riem van eenieder die beseft dat de Standpunten van Vlabel geen in steen gehouwen evangelie uitmaken, maar nog altijd de toets van de rechter moeten doorstaan. In ons land heerst nog steeds het fiscale legaliteitsbeginsel dat aan de wet een groter belang toekent dan aan de wensen van de fiscus.

Uit onze praktijk weten wij dat nog verschillende standpunten aan het oordeel van de rechtbank zullen onderworpen (moeten) worden, opdat de belastingplichtigen de wettelijke behandeling krijgen die hen toekomt en de standpunten uiteindelijk misschien worden bijgesteld.

In ieder geval staan wij u graag te woord indien u vragen zou hebben over deze aangelegenheid. U contacteert daarvoor robby.ackermans@sherpalaw.be, peter.meeuwssen@sherpalaw.be of dirk.degroot@sherpalaw.be.

Reform Belgian Company Law

The final stage in the reform of the Belgian company law is initiated after submission of the preliminary draft of the new Belgian Code of Companies and Associations on June 4th 2018 with the House of Representatives.

With the new Belgian Code on Companies and Associations in sight, we hereby summarize the primary changes.

1.      Code on Companies AND Associations

The new Code on Companies and Associations includes, as the name itself suggests, both companies and associations. The term company will be defined differently. The main criterion of distinction between a company and an association will be the intention to distribute profits. Pursuing profitable activities or not becomes irrelevant under the new law.

By extension, the distinction between ‘civil’ and ‘commercial’ companies will disappear and all companies will be regarded as enterprises (“onderneming”). This change is part of the broader reform of corporate law in which the term merchant (“handelaar”) is abandoned and a more inclusive formal concept of enterprise is adopted.

2.      From 17 company forms to 8

The number of company forms will be drastically reduced from 17 forms to 8. Henceforth all companies will take the form of an ordinary partnership without legal personality (“maatschap”), a general partnership (“VOF”), a limited partnership (“CommV”), a private company (“BV”), a cooperative company (“CV”), a public company (“NV”), a European company (“SE”) and the European cooperative company (“SCE”). In practice a number of older company forms will continue to exist as a modality of one of the eight main forms.

3.      Notable simplification and flexibilization in the private company

The new private company is the Belgian response to the European light vehicle competition. The most striking change is undoubtedly the abolishing of capital requirements for private companies. Instead, the private company will need to have “sufficient” capital upon incorporation. In order to verify if a company has sufficient capital, the financial plan will be taken into account. The new code will provide for a minimum content of a financial plan, making it possible to concretize the sufficiency of the required starting capital. In addition, distributions of profits can only take place after a double test is met, a net assets test and a liquidity test.

The new company law will make it possible to have a private company or a public company incorporated by one person only.

4.      Cap on director’s liability

In order to make Belgian company law more attractive to foreign investors, director’s liability will be capped at a fixed amount. This amount will depend on the scope and size of the company. A cap on director’s liability will make it easier to insure the directors’ risk which will then of course benefit creditors. This in turn may also benefit entrepreneurship.

5.      Corporate mobility

A final remarkable change is the introduction of the registered office. Belgium now follows in the footsteps of other countries such as the Netherlands and the United Kingdom, as well as the jurisprudence of the European Court of Justice. This change definitely facilitates the mobility of companies and will increase the possibilities to go forum shopping. In line with the increased mobility, a procedure for the international transfer of registered seats is put into place to make it easier for foreign companies to relocate their registered seat to Belgium.

6.      Rules of transition

The draft law provides for rules of transition which are connected to a company’s financial year and are therefore different for each company.

The code applies to a company as from the first day of the first financial year starting after the expiry of a period of one year after the publication of the new code in the Belgian Official Gazette.

At that time, the mandatory provisions of the law will apply to a company with immediate effect. For example, the capital in the private company (BV) will automatically be converted into an unavailable equity account that cannot be disbursed.

Each company must bring its articles of association in accordance with the code when an amendment of its articles of association occurs, and at the latest 10 years after the date of applicability on the company.

The complete draft can be consulted here:

http://www.dekamer.be/FLWB/PDF/54/3119/54K3119001.pdf

Junes El-Sayyid & Jessie Vanoppen

Hervorming vennootschapsrecht

De laatste etappe van de hervorming van het Belgische vennootschapsrecht is ingezet na de indiening van het voorontwerp van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen op 4 juni 2018 bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Met het nieuwe Wetboek Vennootschappen en Verenigingen (“WVV”) in zicht, vatten we voor u de voornaamste wijzigingen nog eens samen.

1.      Wetboek Vennootschappen én Verenigingen

Het nieuwe Wetboek Vennootschappen en Verenigingen omvat, zoals de naam zelf zegt, zowel vennootschappen als verenigingen. De definitie van het begrip vennootschap zal voortaan een nieuwe invulling krijgen. Het centrale onderscheidingscriterium met de vereniging wordt het winstuitkeringsoogmerk. Het al dan niet nastreven van winstgevende activiteiten wordt irrelevant onder het nieuwe recht.

In het verlengde daarvan verdwijnt ook het onderscheid tussen ‘burgerlijke’ en ‘commerciële’ vennootschappen en worden alle vennootschappen als onderneming beschouwd. Deze wijziging kadert in de bredere hervorming van het ondernemingsrecht waarbij van de notie handelaar afgestapt wordt en uitgegaan wordt van het ruimere formele ondernemingsbegrip.

2.      Van 17 vennootschapsvormen naar 8

Het aantal vennootschapsvormen wordt drastisch verminderd van 17 naar 8. Voortaan zal elke vennootschap de vorm aannemen van een maatschap, een vennootschap onder firma (VOF), een commanditaire vennootschap (CommV), een besloten vennootschap (BV), een coöperatieve vennootschap (CV), een naamloze vennootschap (NV), een Europese vennootschap (SE) of een Europese coöperatieve vennootschap (SCE). In de praktijk zal een aantal oude vennootschapsvormen wel blijven voortbestaan als een modaliteit van één van de acht basisvormen.

3.      Doorgedreven vereenvoudiging en flexibilisering in de BV

De nieuwe BV zal het Belgische antwoord vormen op de Europese light vehicle competitie. De wijziging die ongetwijfeld het meest in het oog springt is de afschaffing van het minimumkapitaal. De BV zal bij haar oprichting wel over “toereikend” kapitaal moeten beschikken. Om na te gaan of een vennootschap over toereikend kapitaal beschikt zal rekening gehouden worden met het financieel plan. Het nieuwe wetboek voorziet in een minimuminhoud voor het financieel plan waarmee het mogelijk moet zijn om de toereikendheid van het vereiste aanvangsvermogen te concretiseren. Daarnaast zullen uitkeringen slechts mogen plaatsvinden nadat is voldaan aan twee uitkeringstests, de nettoactieftest en de liquiditeitstest.

In het nieuwe vennootschapsrecht zal het ook mogelijk zijn om een BV of NV door slechts één persoon te laten oprichten.

4.      Beperking van de bestuursaansprakelijkheid

Om het Belgische vennootschapsrecht aantrekkelijker te maken voor buitenlandse investeerders, zou de bestuurdersaansprakelijkheid beperkt worden tot een bepaald bedrag. Dit bedrag zal per vennootschap afhangen van de omvang en grootte van de onderneming. Een beperking van de aansprakelijkheid maakt het bestuurdersrisico beter verzekerbaar wat dan weer ten goede komt van schuldeisers en ook het ondernemerschap in de hand kan werken.

5.      Corporate mobility

Een laatste opmerkelijke wijziging is de invoering van de statutaire zetelleer of incorporatieleer. België volgt het voorbeeld van landen zoals Nederland en het Verenigd Koninkrijk door te opteren voor de incorporatieleer. De hervorming volgt daarin ook de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie. Hierdoor wordt de mobiliteit van ondernemingen vergemakkelijkt en wordt de mogelijkheid om aan forum shopping te doen vergroot. In het verlengde hiervan wordt ook een procedure tot internationale zetelverplaatsing voorzien die het voor buitenlandse ondernemingen eenvoudiger moet maken om naar België te komen.

6.      Overgangsregeling

Het wetsontwerp voorziet een overgangsregeling die samenhangt met het boekjaar van de vennootschap en dus voor iedere vennootschap verschillend zal zijn.

Het wetboek is voor het eerst van toepassing op een vennootschap op de eerste dag van het eerste boekjaar dat aanvangt na het verstrijken van een termijn van één jaar na de bekendmaking van het wetboek in het Belgisch Staatsblad.

Op dat ogenblik zullen de dwingende bepalingen van de wet met onmiddellijke ingang van toepassing zijn. In de BVBA zal het kapitaal bijvoorbeeld van rechtswege worden omgevormd in een onbeschikbare eigen vermogensrekening dat niet kan worden uitgekeerd.

Elke vennootschap moet haar statuten in overeenstemming brengen met het wetboek ter gelegenheid van de eerstvolgende statutenwijziging, en uiterlijk tien jaar na de datum waarop het wetboek op haar van toepassing wordt.

Het volledige wetsontwerp kan worden geraadpleegd op:

http://www.dekamer.be/FLWB/PDF/54/3119/54K3119001.pdf

Junes El-Sayyid & Jessie Vanoppen

Einde van het finaal verrekenbeding, of toch niet ?

Het finaal verrekenbeding is een prima manier voor echtgenoten met scheiding van goederen om elkaar te beschermen. Dat beseft ook de federale wetgever, nu hij in het nieuwe huwelijksvermogensrecht maatregelen inschrijft om dit beschermingsmechanisme vaker ingang te doen vinden.

Tegelijk stellen we vast dat in Vlaanderen de gunstige gevolgen op het vlak successierechten bij de uitvoering van dit beding teruggedraaid werden door het Vlaams Parlement : nadat het Hof van Cassatie de belastingplichtigen gelijk had gegeven en de onbelastbaarheid van het beding dus vaststond, heeft de Decreetgever geoordeeld dat de bescherming die de echtgenoten elkaar geven in een verrekenbeding, onder de erfbelasting valt.

Wat is een finaal verrekenbeding en hoe werkt het ?

Vele echtgenoten die gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen, hebben elkaar beschermd met een “optioneel finaal verrekenbeding. Dit is een clausule in het huwelijkscontract die de nare gevolgen van de zuivere scheiding van goederen wat kan temperen wanneer aan het huwelijk een einde komt.

In een zuivere scheiding van goederen is en blijft iedere echtgenoot eigenaar van zijn goederen en zijn de echtgenoten op het einde van de rit (bij echtscheiding of overlijden) niets aan elkaar verschuldigd. In een gemeenschapsstelsel daarentegen zal in beginsel de helft van de gemeenschap toekomen aan de langstlevende, zodat die een zekere bescherming geniet ; echtgenoten kunnen er ook voor kiezen om een groter deel de helft toe te bedelen aan de langstlevende.

Een optioneel finaal verrekenbeding zorgt ervoor dat ook de langstlevende in een stelsel van scheiding van goederen beschermd wordt door een aanspraak op het vermogen van de eerststervende. Het beding is :

-          Optioneel, omdat de begunstigde echtgenoot bepaalde keuzes zal kunnen uitoefenen ;

-          Finaal, omdat het uitwerking krijgt bij het einde van het huwelijk (door overlijden of scheiding, waarbij de bescherming bij overlijden meestal sterker werkt dan bij echtscheiding) ;

-          Gericht op verrekening, omdat de echtgenoten overeenkomen dat zij op het einde van de rit met elkaar zullen afrekenen met betrekking tot de eigen vermogens.

Stellen we ons een echtpaar voor (scheiding van goederen met optioneel finaal verrekenbeding) waarbij mevrouw 700 bezit en meneer 300. Stellen we ons ook even voor dat deze vermogens voortkomen uit beroepsinkomsten van na het huwelijk (“aanwinsten”). Bij de dood van mevrouw kan meneer er voor kiezen om  aanspraken te formuleren op het vermogen van mevrouw. Zo kan hij zich het gehele vermogen van mevrouw laten toebedelen, zodat hij bij zijn eigen 300 de 700 van mevrouw voegt. Of hij opteert ervoor om in totaal de helft van de aanwinsten te nemen, zodat hij boven zijn eigen 300 nog 200 van mevrouw neemt. Of hij kiest ervoor om niets te nemen ; alles is mogelijk.

De grote voordelen van deze regeling liggen hierin dat men toch een afgescheiden vermogen houdt (bijvoorbeeld omdat één van de echtgenoten een zelfstandige activiteit uitoefent), maar tegelijk een prima bescherming kan bieden aan de partner zodat die niet onbemiddeld hoeft achter te blijven.

Technisch gesproken kan meneer niet zo maar de goederen van mevrouw in bezit nemen ; het contract verleent hem een vordering op het vermogen van mevrouw. Dit betekent dat het vermogen van mevrouw (dus 700)  in eerste instantie geërfd wordt door haar erfgenamen (bijvoorbeeld de kinderen), maar dat meneer zijn vordering van 700 kan uitoefenen en dit bedrag kan opeisen.

En fiscaal ?

Op het vlak van successierechten en erfbelasting was deze regeling zeer gunstig : doordat meneer deze bedragen niet “erft” van zijn echtgenote (ze komen hem immers toe via het contract) vallen deze ook niet onder de erfbelasting. Tegelijk betaalden ook de erfgenamen van mevrouw (bijvoorbeeld de kinderen) niets : zij erfden immers het vermogen van hun moeder, dat bestond uit een actief van 700, maar ook uit een passief van 700 (de vordering van meneer), zodat er niets te belasten viel. Welnu, dit laatste werd door de fiscus jarenlang betwist ; de fiscus houdt immers voor dat de schuld van 700 aan meneer niet aftrekbaar is. Daardoor zouden de kinderen volgens de fiscus toch erfbelasting moeten betalen op een bedrag van 700.

Na jarenlange procedures heeft het Hof van Cassatie in januari 2017 beslist dat de verrekenschuld (het bedrag dat aan meneer moet worden uitbetaald) wel degelijk aftrekbaar is ; in ons voorbeeld zou dus noch meneer noch de kinderen enige erfbelasting betalen en komt het gehele vermogen van mevrouw belastingvrij toe aan meneer.

De Vlaamse Decreetgever komt de fiscus ter hulp

Nu het Hof van Cassatie de taxaties eigenlijk onderuit gehaald had, kon alleen een wetgevend ingrijpen nog een uitkomst bieden voor de fiscus.

Voor Vlaanderen is het Vlaams Parlement al aan de verzuchtingen van de Vlaamse Belastingdienst tegemoetgekomen bij Decreet van 8 december 2017 ; hierin is onder meer bepaald dat de verrekenschuld niet aftrekbaar is als passief in de nalatenschap van de eerststervende echtgenoot, zodat de facto op diens gehele vermogen erfbelasting wordt geheven. Op fiscaal vlak gaan de gunstige effecten van het finaal verrekenbeding dus verloren. Indien meneer nu 700 opvraagt, zal dit toch belast worden.

In de literatuur worden bij de huidige decretale regeling vraagtekens geplaatst : wie in een stelsel van gemeenschap de aanwinsten van 1.000 zou opvragen (via verblijvingsbeding), moet erfbelasting betalen op hetgeen hij bovenop de eigen helft krijgt. In ons voorbeeld zou er erfbelasting moeten betaald worden op 500 indien ons echtpaar onder een gemeenschapsstelsel gehuwd was.

Er ontstaat dus een verschil in fiscale behandeling voor echtgenoten die aan de langstlevende de aanwinsten toebedelen in het huwelijkscontract, naargelang zij onder een gemeenschapsstelsel waren gehuwd dan wel onder een stelsel van scheiding van goederen. Of dit verschil genade vindt in de ogen van het Grondwettelijk Hof, is maar zeer de vraag.

Voor Brussel en Wallonië blijft voorlopig alles bij het oude : ingevolge de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijft het verrekenbeding daar voorlopig onbelast.

Het verrekenbeding gepromoot door de federale Wetgever – het nieuwe huwelijksvermogensrecht

Precies omdat het stelsel van scheiding van goederen in zijn zuivere vorm op zichzelf weinig solidariteit kent tussen de echtgenoten, voorziet het wetsvoorstel dat het huwelijksvermogensrecht zal wijzigen (in beginsel vanaf 1 september 2018) in een wettelijk kader dat de rechtszekerheid over de verrekenbedingen moet versterken. Het federale parlement zal daarom een aantal maatregelen nemen om de huwelijkse solidariteit in het stelsel van scheiding van goederen te verhogen ; er zal dus een wettelijke regeling uitgewerkt worden die het verrekenbeding op civiel vlak een sterke basis geeft, waardoor dit des te meer aantrekkelijk wordt.

Tegelijk worden deze bedingen fiscaal nu ongunstig behandeld, hetgeen op dat vlak toch om bijsturing vraagt.

Besluit

Het verrekenbeding blijft zijn nut houden op het burgerlijke vlak : de partners beschermen elkaar in een sfeer van huwelijkse solidariteit.

Dat er op deze bescherming voortaan erfbelasting wordt geheven is een ander paar mouwen, vooral omdat de verrekenbedingen zwaarder belast worden dan de bescherming via een gemeenschapsstelsel.

Gelukkig kan de solidariteit ook op andere manieren georganiseerd worden (via schenking, of aanwasovereenkomsten bijvoorbeeld).

In ieder geval is het aangewezen het huwelijkscontract goed na te lezen met de volgende vragen in het achterhoofd : zijn wij als partners goed beschermd in dit contract en wat zijn de fiscale gevolgen van deze bescherming ? Desgewenst staan wij u graag bij in deze oefening : neemt u gerust contact met ons team Estate Planning via robby.ackermans@sherpalaw.be, peter.meeuwssen@sherpalaw.be, dirk.degroot@sherpalaw.be

De burgerlijke maatschap en het ondernemingsrecht: belangrijke wijzigingen

De wet van 15 april 2018 over de hervorming van het ondernemingsrecht werd op 27 april gepubliceerd in het staatsblad.

Deze wet brengt een aantal wijzigingen aan in het wetboek van vennootschappen en in het wetboek van economisch recht en treedt in werking op 1 november 2018. Ook voor de maatschappen zal er één en ander veranderen. Daarover berichten wij u graag reeds beknopt en in afwachting van verdere verduidelijkingen.

a) Wijzigingen in het wetboek van vennootschappen

Een eerste terminologische wijziging bestaat erin dat de maatschap in het Frans niet langer “Société de droit commun” zal heten, maar wel “société simple”.

Van groter belang kan de afschaffing zijn van het onderscheid tussen de vennootschappen met handelsdoel en de vennootschappen met burgerlijk doel ; ook het onderscheid tussen de commerciële en de burgerlijke maatschap valt weg. Ten gevolge daarvan zullen de vennoten van een maatschap hoofdelijk verbonden blijven jegens derden voor alle schulden van de maatschap.

b) Wijzigingen in het wetboek van economisch recht (WER)

Terwijl de burgerlijke maatschap voorheen niet als een “onderneming” beschouwd werd, verandert dit met het nieuwe recht ; maatschappen zullen voortaan “ondernemingen” zijn. Dit heeft een aantal gevolgen die op vrij korte termijn voelbaar zullen zijn onder de vorm van nieuwe verplichtingen die op de (zaakvoerders van) maatschappen zullen rusten.

B1 – Inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO)

Vanaf 1 november zullen nieuwe maatschappen zich voor de aanvang van hun activiteit moeten registreren bij de KBO, via een ondernemingsloket.

Maatschappen die reeds bestaan, kunnen echter nog even wachten ; zij dienen zich te registreren in de KBO uiterlijk 30 april 2019 (tenzij de Koning alsnog zou beslissen deze datum te vervroegen…).

B2 – Onderwerping aan boekhoudkundige verplichtingen

Voortaan zullen maatschappen verplicht zijn een boekhouding te voeren ; dat kan volgens vereenvoudigd schema, indien hun omzet minder bedraagt dan 500.000 EUR. Overstijgt de omzet dit grensbedrag, dan wordt een volledige dubbele boekhouding verplicht. Uit onze praktijk weten wij dat vele maatschappen vandaag reeds een eenvoudige boekhouding voeren en een jaarrekening opstellen. Mogelijks volstaan enkele kleine ingrepen om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen.

De nieuwe verplichting geldt vanaf 1 november 2018, behoudens voor bestaande maatschappen ; zij dienen aan deze verplichting te voldoen vanaf het eerste volledige boekjaar dat aanvangt na het verstrijken van een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf 1 november 2018. Voor de maatschappen die een boekjaar voeren volgens het kalenderjaar, is het eerste “boekhoudplichtige” jaar aldus 2020 (behoudens andere datum bij koninklijk besluit).

Het is niet duidelijk of de maatschappen hun jaarrekening ook zullen moeten publiceren ; artikel III.90 van het WER verwijst op een onduidelijke manier terug naar het wetboek van vennootschappen. In ieder geval staat het vast dat het wetboek van vennootschappen de verplichting tot publicatie enkel oplegt aan de rechtspersonen, en derhalve niet aan de maatschappen, zodat wij voorlopig aannemen dat er ook in het nieuwe recht geen publicatieverplichting zal gelden.

c) Besluit

Het staat vast dat deze nieuwe wetgeving zich zal doen voelen in de praktijk van de maatschap. Het spreekt dat wij dit op de voet blijven volgen en onze cliënten tijdig blijven adviseren met betrekking tot de wijze waarop dit alles in hun bestaande of nieuw op te richten maatschap moet toegepast worden.

Wie reeds vragen heeft kan ons team Estate Planning contacteren via robby.ackermans@sherpalaw.be, peter.meeuwssen@sherpalaw.be, dirk.degroot@sherpalaw.be.

Administratie legt zich voorlopig neer bij de rechtspraak omtrent de kosteloze terbeschikkingstelling van onroerende goederen aan werknemers of bedrijfsleiders

De FOD Financiën publiceerde gisteren, 15 mei 2018, een circulaire 2018/C/57 met betrekking tot de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard voor de kosteloze terbeschikkingstelling van een onroerend goed of een gedeelte van een onroerend goed aan werknemers of bedrijfsleiders.Wij verwijzen ter zake dan ook naar onze eerdere nieuwsberichten op onze website.

De forfaitaire raming van deze voordelen is vastgelegd door het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92). De hoven van beroep van Gent en Antwerpen bevestigden recent dat het onderscheid in de berekening van het belastbaar voordeel naargelang dat voordeel wordt toegekend door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon, ongrondwettelijk is. Om die verschillende behandeling weg te werken, moet artikel 18, § 3, 2 KB/WIB 92 worden aangepast. Momenteel wordt bekeken hoe dat best kan gebeuren.

In afwachting van dit wetgevend ingrijpen beslist de fiscus nu om de voormelde rechtspraak te volgen.

In het geval dat een rechtspersoon een woning ter beschikking stelt aan een werknemer of een bedrijfsleider zal het belastbaar voordeel bijgevolg worden geraamd op 100/60 van het geïndexeerd kadastraal inkomen van die woning, in voorkomend geval verhoogd met 2/3 wanneer het een gemeubileerde woning is.

De fiscus bevestigt verder dat voor wat betreft de behandeling van bezwaarschriften en de rechtsprocedures die daaruit zijn voortgevloeid, akkoord kan worden gegaan dat bij de berekening van een voordeel van alle aard voor de terbeschikkingstelling van een onroerend goed of een gedeelte daarvan toepassing wordt gemaakt van artikel 18, § 3, 2, eerste lid, KB/WIB 92, ongeacht de persoon die het onroerend goed ter beschikking stelt.

Minder evident is dat de fiscus in dezelfde circulaire aangeeft dat vragen tot ontheffing van ambtswege zullen worden afgewezen. Een verzoek tot ambtshalve ontheffing kan worden ingediend binnen de vijf jaar te rekenen vanaf één januari van het aanslagjaar onder meer in het geval zich een nieuw feit voordoet waarvan het laattijdig inroepen door gewettigde redenen wordt verantwoord. Volgens de fiscale administratie wordt een wijziging in de jurisprudentie niet als nieuw gegeven beschouwd. En dus kan men zich niet beroepen op voormelde rechtspraak om – zelfs na het verstrijken van de gewone bezwaartermijn – een verzoek tot ambtshalve ontheffing in te dienen.

Dit laatste punt is toch enigszins voor betwisting vatbaar.

De wet stelt weliswaar dat een “wijziging van jurisprudentie” niet als een nieuw feit kan beschouwd worden, maar volgens vaststaande rechtspraak geldt dit niet voor arresten van het Grondwettelijk Hof. Dergelijke arresten kwalificeren dus wel als een “nieuw feit” op grond waarvan een ambtshalve ontheffing kan gevraagd worden. 

 Er zou kunnen geargumenteerd worden dat dezelfde redenering opgaat voor de aangehaalde arresten van de hoven van beroep, aangezien de forfaitaire waardering van het voordeel van alle aard niet is opgenomen in het Wetboek Inkomstenbelastingen zelf, maar in artikel 18 van het uitvoeringsbesluit. Aangezien het niet mogelijk is om de rechtsgeldigheid van een Koninklijk Besluit te laten toetsen door het Grondwettelijk Hof (het Hof is enkel bevoegd om wetskrachtige normen te toetsen), zijn de rechtbanken en hoven op grond van artikel 159 G.W. verplicht om zelf de wettigheid te toetsen van de bepalingen van een Koninklijk Besluit. In deze context, m.n. het toetsen van de rechtsgeldigheid van een bepaling van een Koninklijk Besluit aan de Grondwet, zou kunnen verdedigd worden dat een arrest van bv. een hof van beroep dat een uitspraak doet over de wettigheid van een Koninklijk Besluit kan gelijkgesteld worden met een arrest van het Grondwettelijk Hof.

De Minister van Financiën heeft overigens een tijd geleden in antwoord op een parlementaire vraag gesteld dat de jurisprudentie waarnaar artikel 376, §2 WIB 92 verwijst enkel bestaat uit de interpretatie en toepassing van wettelijke bepalingen waarvan de geldigheid niet wordt betwist. Beslissingen over de rechtsgeldigheid van de wet zelf zouden om die reden geen deel uit maken van de door artikel 376, §2 WIB 92 geviseerde jurisprudentie. Ook op basis van deze parlementaire vraag kan o.i. dus geargumenteerd worden dat de betrokken arresten een “nieuw feit” uitmaken daar zij niet uitgesloten worden door artikel 376, §2 WIB 92 als een “wijziging van jurisprudentie”.

Indien u verdere vragen zou hebben, aarzel niet contact op te nemen met de leden van ons Tax Litigation team (Jo Roseleth, Alain Claes, Kim Roelants & Jelena Vukobratovic)

Brussel 16  mei 2018