Verklaring van behoud: de tijd dringt!

In ons artikel van 4 januari 2019 wezen we reeds naar de techniek en de werkwijze van de zogenaamde ‘verklaring van behoud’. Volgens recente bron hebben de afgelopen maanden een 1.600 tal Belgen een verklaring van behoud afgelegd bij hun notaris. De tijd dringt echter voor uw successieplanning: wie een verklaring van behoud wil afleggen heeft tijd tot en met 1 september 2019.

Sinds 1 september 2018 is het nieuwe Erfrecht van kracht. Door deze hervorming moet de notaris de waarde van uw vermogen op dag van overlijden anders berekenen. Bij uw overlijden, zal de notaris een optelsom maken van de goederen die u bezit bij overlijden, alsook van de schenkingen gedaan tijdens uw leven. De taak van de notaris bestaat er aldus in na te gaan of de reservataire erfgenamen hun wettelijk deel hebben gekregen en of de gelijkheid tussen de erfgenamen werd gerespecteerd.

Voortaan moet de notaris de waarde van de eerder gedane schenkingen indexeren tot op datum van overlijden. Deze regel is van toepassing op alle overlijdens vanaf 1 september 2018, alsook op alle schenkingen gedaan voor die datum. Overigens is het van toepassing op roerende en onroerende goederen.

Voor een duidelijke omschrijving van het principe, de (eventuele) noodzaak om zo’n verklaring af te leggen en enkele praktische voorbeelden, verwijzen we naar bovenstaand artikel.

Wij willen u graag nog volgende aandachtspunten meegeven:

  • De verklaring van behoud geldt voor alle schenkingen die u voor de inwerkingtreding van het nieuwe Erfrecht deed (d.d. 1 september 2018);

  • De verklaring van behoud heeft uitsluitend gevolgen voor schenkingen die gedaan zijn voor 1 september 2018. Op schenkingen gedaan na deze datum zijn automatisch de nieuwe waarderingsregels van toepassing;

  • De verklaring van behoud kan enkel worden afgelegd voor de notaris, aldus door middel van een authentieke akte;

  • De verklaring is eenzijdig. Enkel de schenker legt deze af, de begiftigde(n) van de schenkingen komen niet tussen in deze akte.

Indien u zich na het lezen van onze artikels genoodzaakt voelt een verklaring van behoud af te leggen, onderneem dan zo snel mogelijk actie. Wij kunnen u bijstaan bij het doorlichten van uw successieplanning en u correct adviseren of er al dan niet een verklaring van behoud moet worden afgelegd.

Voor meer informatie, contacteer: Peter Meeuwssen of Robby Ackermans

Tom Vanraes wordt Bondsprocureur van Tennis Vlaanderen

Nieuw bondsparket gekend

Tennis Vlaanderen zet haar professionaliseringsproces verder. Na de hervorming van de raad van bestuur en de adviescommissies en de oprichting van een tennisparlement werd nu ook een professioneel bondsparket geïnstalleerd.

De bondsprocureur wordt Tom Vanraes, geflankeerd door Anne Wils en Wendy Van Mechelen als substituten.

Tom Vanraes, 43 jaar, uit Rotselaar, tennisspeler en interclubkapitein bij TC Wezemaal, is advocaat-vennoot bij Sherpa Law en heeft o.a. expertise in het verenigingsrecht en sportrecht.

Anne Wils, 30 jaar, interclubspeelster en gediplomeerde interclubleider en scheidsrechter van TC As, is advocate bij Claeys & Engels en eveneens gespecialiseerd in sportrecht.

Wendy Van Mechelen, 48 jaar uit Destelbergen, speelster, wedstrijdleider, scheidsrechter en interlubleider bij TC Racso en tevens houder van het initiator-trainersdiploma, is advocate aan de balie te Gent.

Per 1 juli is in lijn met de hervorming van het tuchtorgaan tevens een nieuw tuchtreglement met aansluitende gedragscodes van kracht, alsook een nieuwe tucht- en beroepscommissie, exclusief samengesteld uit juristen uit de tennis- en padelwereld.

Het doel van deze ganse operatie is naast een nieuwe stap te zetten in de verdere professionalisering, ook de tennis-en padelsport versterkt te bewaken voor de negatieve aspecten vanuit onze maatschappij.

Zo begon het 5 jaar geleden

Sherpa Law - een nieuwe naam, maar ervaring te over

Jo RoselethTom Vanraes en Alain Claes richten samen het kantoor Sherpa Law op. Zij leerden elkaar kennen bij De Broeck Van Laere & Partners, waar zij allen al sinds 2007 vennoot waren.

Het kantoor is gefundeerd op drie complementaire pijlers” stelt Mr. Jo Roseleth “Fiscaal recht, ondernemingsrecht en vermogensrecht en -planning zijn stuk voor stuk uitdagende gebieden waar u zich als ondernemer in begeeft. Sherpa Law begeleidt u hierbij. Net als de gidsen in het Himalayagebergte zijn wij bij Sherpa Law samen met u op weg, zetten we ambitieuze expedities op en zorgen wij voor op maat gemaakte oplossingen voor steile hellingen. Sherpa Law staat naast u om samen een ideaal parcours uit te stippelen in het complexe kluwen van wetgeving, rechtspraak en rechtsleer. Om samen met u aan de top te geraken”. 

Sherpa Law is een ondernemend advocatenkantoor dat zich specialiseert in de bovengenoemde takken. Deskundigheid, duurzame waardecreatie en kennisdeling staan centraal in onze no-nonsense aanpak op maat van onze cliënten” bevestigt Mr. Tom Vanraes.

Ondernemers en hun familie, hun ondernemingen en dit in samenwerking met hun andere adviseurs (boekhouders, accountants, bedrijfsrevisoren, bankiers…) worden vanuit een passie voor het vak bijgestaan door onze ervaren experts. De combinatie van deze juridische ervaring en de dynamiek van een onafhankelijk en creatief team ambieert dan ook de top in haar vakgebied” voegt Mr. Alain Claes er aan toe. “Als u uw eigen Mount Everest op wil, begeleidt Sherpa Law u tot boven met de juiste bagage en een stevige portie doorzettingsvermogen”.

Een fantastisch en leerrijk avontuur. Het kantoor is ondertussen uitgegroeid tot een prachtig bedrijf met enthousiaste collega's en een erg dankbaar cliënteel. The story continues…

Aandelen weggeschonken en fiscus benadeeld ? Daar komt Paulius alweer !

Inleiding

In een vorig artikel op onze website bespraken wij een arrest van het hof van beroep van Brussel van 12 april 2018. In dit arrest bevestigde het hof te Brussel dat het niet mogelijk is de fiscus of andere schuldeisers te benadelen door een nalatenschap te verwerpen (en door de inkorting dus niet in te roepen), tenzij de verwerping legitieme doelstellingen heeft. Het hof te Brussel hanteerde hiervoor de Pauliaanse vordering ; die is erop gericht schuldeisers te beschermen tegen hun schuldenaars die zich bedrieglijk onvermogend hebben gemaakt.

Uit een recente uitspraak van het hof van beroep te Gent van 12 februari 2019 blijkt opnieuw de kracht van de Pauliaanse vordering in fiscale zaken.

De Feiten

In casu had de belastingplichtige in 1992 samen met zijn zoon een vennootschap opgericht waarin hij 97% van de aandelen bezat en zijn zoon de overige 3% bezat. De belastingplichtige overlijdt in 2007, maar had nog achterstallige belastingschulden. De zoon beweert dat vader hem zijn aandelen onmiddellijk na de oprichting van de vennootschap geschonken had. Die aandelen zouden aldus niet meer in de nalatenschap vallen, waardoor de fiscus in de kou blijft staan. De fiscus van zijn kant eist dat de aandelenoverdracht hem niet tegenstelbaar wordt verklaard. Hiervoor doet de fiscus beroep op de Pauliaanse vordering.

Oordeel hof van beroep

Het hof bespreekt de voorwaarden voor een succesvolle Pauliaanse vordering. In het geval van een schenking moet in principe aan drie voorwaarden voldaan zijn. Vooreerst moet de schenking plaatsgevonden hebben na het ontstaan van de schuld. Vervolgens maakt de schenking het onmogelijk voor de schuldeiser om zijn schuld betaald te krijgen. Ten slotte moet de schenker weten dat hij zich door de schenking verarmt en dus zijn schuldeiser benadeelt. Er is niet vereist dat de begiftigde (hier : de zoon) weet dat de schenking de schuldeiser benadeelde.

In dit specifieke geval oordeelt het hof dat het vaststaat dat de belastingplichtige de schenking verrichtte met als enige doel zich te onttrekken aan toekomstige belastingschulden ; ten tijde van de schenking zou de vader nog geen fiscale schulden hebben gehad !

Het hof stelt immers vast dat door deze schenking de belastingplichtige amper nog een vermogen had, waardoor het onmogelijk werd en bleef voor de fiscus om nog enige belastingschuld in te vorderen. Om deze reden maakt het niet uit wanneer de aandelen werden geschonken aan de zoon. Zelfs als de zoon al kan bewijzen dat de schenking in 1992 plaatsvond, wat hij niet kan, zou de Pauliaanse vordering succesvol zijn.

Het gevolg is dat de aandelen terugkeren naar de nalatenschap zodat hun waarde (eventueel na uitwinning) in aanmerking komt voor het voldoen van de fiscale schuld.

Hier stuit de administratie echter op een volgend probleem. Tijdens de jarenlange procedure had de zoon de vennootschap ontbonden en vereffend. De aandelen bestaan met andere woorden niet meer en kunnen dus ook niet terugkeren naar de nalatenschap. De fiscus vordert daarom een schadevergoeding van de zoon, gelijk aan het bedrag van de belastingschuld. Het hof van beroep geeft ook hier de fiscus gelijk. Door het ontbinden en vereffenen van de vennootschap zonder te wachten op de definitieve rechterlijke uitspraak, was de zoon, als bestuurder, onzorgvuldig. Hij heeft zich dus niet gedragen zoals men van een normaal en voorzichtig bestuurder kan verwachten en draagt daar nu de gevolgen van.

Besluit

Opnieuw blijkt dus dat de fiscus met de Pauliaanse vordering een krachtig wapen in zijn arsenaal heeft tegen de belastingplichtige die zichzelf onvermogend maakt. Het is zeer belangrijk op te merken dat de schenking in deze casus het ontstaan van de belastingschuld voorafging. Het feit dat men zich onvermogend maakt en daardoor mogelijks in de toekomst zijn belastingschulden niet kan betalen, is voldoende voor het hof om de vordering van de fiscale administratie toe te kennen.

Het is daarom belangrijk in dergelijke aangelegenheden degelijk advies in te winnen.

Auteurs: Fréderic Stynen & Dirk De Groot

Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met Peter Meeuwssen, Robby Ackermans of Dirk De Groot

Ik kom tussen voor derden bij de verkoop van handelsfondsen of aandelen van niet-beursgenoteerde vennootschappen: moet ik mij alsnog registreren ?

De evolutie inzake antiwitwaswetgeving heeft soms onverwachte gevolgen. In de vierde antiwitwasrichtlijn (4th AMLD) van de Europese Unie werd voorzien dat de “aanbieders van trustdiensten of vennootschapsrechtelijke diensten” zich moeten onderwerpen aan de wet en de bijhorende verplichtingen. Om dit mogelijk te maken, heeft de Belgische wetgever in een registratieverplichting voorzien, maar heeft hij evenwel ook een eigen invulling gegeven aan dit begrip. Deze dienstverleners moesten reeds geregistreerd zijn vanaf 1 maart 2019. De eerste controles op het naleven van deze registratieverplichting zijn nu evenwel aangekondigd, reden waarom het nuttig lijkt om deze verplichting nogmaals kort toe te lichten. Wie moet zich registreren en wie niet ?

In de “Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU)nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie” (Vierde Richtlijn) werd voorzien dat ook aanbieders van trustdiensten of vennootschapsrechtelijke diensten onder het toepassingsgebied van de preventieve antiwitwaswetgeving moesten gebracht worden.

Europees begrip

In de richtlijn werden deze “aanbieders van trustdiensten of vennootschapsrechtelijke diensten” als volgt omschreven;

• a) oprichten van vennootschappen of andere rechtspersonen;

• b) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als bestuurder of secretaris van een vennootschap, als vennoot in een maatschap of in een soortgelijke hoedanigheid met betrekking tot andere rechtspersonen;

• c) verschaffen van een statutaire zetel, bedrijfsadres, administratief of correspondentieadres en verlening van andere daarmee samenhangende diensten voor een vennootschap, een maatschap of andere rechtspersoon of juridische constructie;

• d) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als trustee van een express trust of van een soortgelijke juridische constructie;

• e) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als gevolmachtigd aandeelhouder voor een andere persoon waarbij het niet gaat om een op een gereglementeerde markt genoteerde vennootschap die is onderworpen aan openbaarmakingsvereisten overeenkomstig het recht van de Unie, of aan gelijkwaardige internationale standaarden;

Belgische invulling

In de “Wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten” (WWPW) die de preventieve antiwitwaswetgeving volledig herschreven heeft onder de invloed van de richtlijn, werd dan ook voorzien dat ook de "de dienstverleners als bedoeld in de wet van ??? tot registratie van de aanbieders van vennootschapsrechtelijke diensten" onderworpen worden aan de Wet. Dit is inmiddels gewijzigd in “de dienstenverleners aan vennootschappen bedoeld in artikel 3, 1°, van de wet van 29 maart 2018 tot registratie van de dienstenverleners aan vennootschappen”. Het is inderdaad pas in de Wet van 29 maart 2018 dat aan de registratieverplichting vorm werd gegeven.

De Wet van 29 maart 2018 omschrijft deze “dienstverleners aan vennootschappen” als “elke natuurlijke of rechtspersoon die beroepsmatig een van de volgende diensten aan derden aanbiedt:

• a) deelnemen aan de aan- of verkoop van aandelen van een vennootschap met uitzondering van deze van een beursgenoteerde vennootschap;

• b) een maatschappelijke zetel aan een onderneming, een rechtspersoon of een soortgelijke juridische constructie verschaffen;

• c) een bedrijfs-, administratief of correspondentieadres en andere daarmee samenhangende diensten verschaffen aan een onderneming, een rechtspersoon of een soortgelijke juridische constructie”

De keuze van de wetgever is ingegeven door de analyse dat een aantal van de in de richtlijn vermelde diensten (a, b en d hierboven vermeld) in België niet daadwerkelijk worden uitgeoefend (hoofdzakelijk trustdiensten). Samengevat zou men kunnen stellen dat enkel zij die beroepsmatig tussenkomen voor derden bij domiciliëringsdiensten of aan- en verkoop van niet beursgenoteerde aandelen beoogd worden.

Wie moet zich niet registreren ?

Wie deze activiteiten niet beroepsmatig doet of dit enkel voor zichzelf doen, dient zich dus niet te registeren. Het is de beroepsmatige dienstverlening aan derden die geviseerd wordt.

Een belangrijke uitzondering is ook voorzien voor al die professionelen die al in een andere hoedanigheid vallen onder het toepassingsgebied van de WWPW (“andere dan deze bedoeld in artikel 5, § 1, 1° tot 28° en 30° tot 33°, van de wet van 18 september 2017”). Moeten zich dus niet registreren: financiële instellingen, notarissen, advocaten, vastgoedmakelaars, enz. Zij worden immers allen al geviseerd. Het komt er dus op neer dat er de facto een restcategorie is gecreëerd.

Tevens betekent dit dat de tussenkomst bij het verlenen van diensten bij de verkoop van niet-beursgenoteerde aandelen en van domiciliëringsactiviteiten nu voorbehouden is aan die categorieën dienstverleners die opgelijst worden in de WWPW. Zo zullen dus juridische adviseurs, corporate finance specialisten, fiscale juristen en andere dienstverleners die onder nog geen enkele andere categorie (bewust of onbewust) ressorteerden het nodige moeten doen om zich te registreren, tenminste als zij de beoogde activiteiten verder wensen uit te voeren.

Risico’s

Wat riskeert u indien u zich niet aan deze verplichting houdt?

De Wet voorziet een geldboete van 250 tot 100.000 EUR (x 8, vermits het een strafrechtelijke boete is) voor de dienstenverlener aan vennootschappen die zijn diensten verstrekt zonder geregistreerd te zijn of die geregistreerd werd maar niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in de wetgeving. Merk overigens op dat deze boete niet enkel zal opgelegd worden aan rechtspersonen. De uiteindelijke begunstigden, zaakvoerders en bestuurders van rechtspersonen, in functie bij het opleggen van de geldboete en gedurende het voorafgaande jaar, kunnen immers hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de inbreuken.

De FOD Economie (bevoegd voor de controles) kan evenwel ook een waarschuwing richten tot de overtreder, zijn uiteindelijke begunstigden, zijn zaakvoerders en zijn bestuurders, of hen een geldsom tussen 50 en 600.000 EUR voorstellen waarvan de vrijwillige betaling de strafvordering doet vervallen.

En voor handelsfondsen ?

In de inleiding werd ook verwezen naar het verkoop van handelsfondsen. Deze dienstverlening is evenwel niet uitdrukkelijk voorzien in de Wet van 29 maart 2018 op de dienstverleners. Mogelijks is dit omdat bemiddeling voor derden bij verkoop van handelsfondsen al kan geviseerd zijn door een andere wet. De Wet van 11 februari 2013 houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar. Deze wet viseert immers de vastgoedmakelaar tot wiens activiteit behoort “bemiddelaar : wie voor rekening van derden bepalende bijstand verleent met het oog op het tot stand komen van een overeenkomst van verkoop, aankoop, ruil, verhuring of overdracht van onroerende goederen, onroerende rechten of handelsfondsen”.

De logica (en blijkbaar ook de praktijk) vereist wel dat hierbij vooral handelsfondsen bestaande uit onroerende goederen bedoeld wordt, maar deze verduidelijking is niet letterlijk te vinden in de wet.

Niettemin kunnen zouden ook andere vrije beroepen expliciet kunnen vrijgesteld worden van het verbod om tussen te komen bij de verkoop van handelsfondsen. De beoefenaars van andere vrije beroepen die immers de activiteiten van vastgoedmakelaar uitoefenen op grond van wettelijke of reglementaire bepalingen of van vaste beroepsgebruiken zijn vrijgesteld van de verbodsbepalingen, voor zover dat deze reglementaire bepalingen of vaste beroepsgebruiken de inwerkingtreding van dit besluit voorafgaan en deze personen onderworpen zijn aan de tucht van een erkende beroepsinstantie (art. 8 van Koninklijk besluit van 30 augustus 2013 betreffende de toegang tot het beroep van vastgoedmakelaar). Zo werd bijvoorbeeld al uitzonderingen voorzien voor de activiteit van syndicus (bijv. voor advocaten).

Vermits de keuze tussen een share deal en asset deal bij een overdracht niet altijd op voorhand duidelijk is, kan het enkel aangeraden worden om de procedures inzake de WWPW in beide gevallen strikt na te leven van zodra men onder het toepassingsgebied van de wet valt.

Indien u meer informatie wenst of bijstand bij de registratie en de verdere invulling van u verplichtingen in het kader van WWPW, kan u steeds contact opnemen met Alain Claes.

UBO-register: fiscus kan meekijken

In onze voorgaande nieuwsbrieven van d.d. 4 juli 2018, 27 september 2018, 11 januari 2019 en 13 februari 2019 verwezen we uitgebreid naar de komst, werking, uitvoeringsmodaliteiten en onduidelijkheden van het UBO-register.

Nadat aanvankelijk bij invoering van het UBO-register door de Wet van 18 september 2017 was voorzien dat de fiscale diensten geen toegang zouden hebben tot dit register (vandaar de oprichting bij de Afdeling Thesaurie), werd dit toegangsrecht al voorzien eind 2017.

Vandaag (28/5/2019) verscheen in het Belgisch Staatblad het Koninklijk Besluit van 12 mei 2019 tot uitvoering van artikel 322, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat de voorwaarden en modaliteiten bepaalt van de raadpleging van het register van de uiteindelijke begunstigden door de fiscale diensten.

Een toegangsaanvraag (overeenkomstig artikel 8 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register) moet door de Administrateur-generaal van de bevoegde Algemene Administratie bij de Administratie van de Thesaurie ingediend worden. In die aanvraag moet vermeld worden welke persoon verantwoordelijk zal zijn voor het beheer van de toegangen van zijn Algemene Administratie tot het register. Zodra die aanvraag door de Administratie van de Thesaurie is aanvaard geeft deze persoon rechtstreeks toegang aan de ambtenaren van zijn Algemene Administratie. Er kan evenwel slechts toegang verleend worden aan ambtenaren met een hogere titel dan die van attaché. Dit betekent dus dat enkel ambtenaren met de titel van adviseur of hoger het register kunnen raadplegen.

Zodra de Administratie van de Thesaurie die bedoelde aanvraag heeft aanvaard, geven de personen verantwoordelijk voor het beheer van de toegangen tot het register, toegang aan de in artikel 322, § 1, derde lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, bedoelde ambtenaren van hun Algemene Administratie.

De raadpleging van het register geschiedt uitsluitend via het elektronisch transmissiekanaal van het toegangsplatform bij het register volgens de structuur en het formaat die de Administratie van de Thesaurie vaststelt.

Weet dus dat de fiscus ook over al deze informatie zal kunnen beschikken (van zodra het register volledig up to date is (vanaf 30 september 2019)).

Verdere wijzigingen en ontwikkelingen binnen het UBO gebeuren wordt door ons team uiteraard op de voet gevolgd. Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met Alain Claes.

Tax Shelter : het Corsan-debacle, toch niet alleen maar kommer en kwel ?

De tax shelter wetgeving, inmiddels een 15-tal jaar oud, bevat diverse voorwaarden, beperkingen en procedurevoorschriften die aanleiding kunnen geven tot betwistingen met de administratie. Verschillende opeenvolgende wijzigingen hebben de wetgeving bovendien nog complexer gemaakt.

Enkele jaren geleden bleken meerdere investeerders de dupe te worden van hun investeringen in producties van (het inmiddels failliet gegane) Corsan.

De fiscus was maar bereid tot zeer beperkte toegevingen om de gedupeerden niet extra op te zadelen met een fiscale afstraffing. Meerdere gedupeerden hebben dit standpunt dan ook aangevochten.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft zich recent uitgesproken over het belastbaar tijdperk waarin de administratie de voorheen vrijgestelde winst moet belasten.

Artikel 194ter, §4, in fine WIB 1992 (in de versie zoals van toepassing op het geschil) bepaalt:

Ingeval een of andere van deze voorwaarden gedurende enig belastbaar tijdperk niet langer wordt nageleefd of ontbreekt, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van dat belastbare tijdperk. Ingeval de onder 7° en 7°bis vermelde attesten niet binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst voor de productie van een in aanmerking komend werk worden verkregen door de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de termijn van vier jaar verstrijkt.

Eén van de discussiepunten voor de betrokken belastingplichtige betrof de vraag of de fiscus de voorheen vrijgestelde wist kan belasten in een later jaar indien de fiscus zelf opwerpt dat één van de wettelijke voorwaarden voor het verlenen of het behouden van de vrijstelling al in een eerder jaar niet werd vervuld.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen koos de kant van de belastingplichtige en vernietigde de betwiste aanslag.

Aangezien de administratie zelf had aangevoerd dat de investeerder in toepassing van artikel 194ter, §4, 6° WIB 1992 een afschrift van de raamovereenkomst had moeten toevoegen aan de aangifte voor het belastbaar tijdperk waarin hij aanspraak had gemaakt op de vrijstelling (in casu aanslagjaar 2013), oordeelde de rechtbank dat de administratie de voorheen vrijgestelde winst had moeten opnemen in de belastbare basis voor aanslagjaar 2013.

De rechtbank neemt hierbij aan dat de wetgever niet de bedoeling kan gehad hebben om dezelfde voorheen vrijgestelde winst twee maal te belasten zodat er geen “secundaire” belastbaarheid mogelijk is in een later aanslagjaar, zoals de administratie argumenteerde.

Hoewel artikel 194ter, §4, in fine WIB 1992 twee aanknopingspunten voorziet om het belastbaar tijdperk te bepalen waarin de voorheen vrijgestelde winst belastbaar wordt, oordeelde de rechter terecht dat de vrijgestelde winst die als winst moet worden aangemerkt van een voorgaand tijdperk op basis van de eerste vermelde mogelijkheid niet een tweede maal kan toegevoegd worden aan de belastbare basis van een later aanslagjaar op basis van de tweede vermelde mogelijkheid.

Ook de administratie dient zich dus te houden aan de spelregels en kan het tijdstip van belastbaarheid niet kiezen zoals het haar goed uitkomt.

Deze uitspraak kan de pil voor de betrokken belastingplichtige alvast iets verzachten.

Sherpa Law staat alvast paraat om u te begeleiden bij alle vragen omtrent huidige of oudere tax shelter issues. Vragen? Contacteer Kim Roelants of Alain Claes

UBO-register: langverwachte aangepaste FAQ gepubliceerd

In onze voorgaande nieuwsbrieven van d.d. 4 juli 2018, 27 september 2018, 11 januari 2019 en 13 februari 2019 verwezen we uitgebreid naar de komst, werking, uitvoeringsmodaliteiten en onduidelijkheden van het UBO-register.

Zoals aangekondigd heeft de FOD Financiën de langverwachte aangepaste FAQ gepubliceerd die voor bijkomende verduidelijking zorgt voor wat betreft de volgende punten:

  • Wat betreft het identificeren van UBO’s voor vennootschappen:

    • Het toereikend percentage van 25% dient gelezen te worden als “meer dan 25%”. Een natuurlijk persoon kan als UBO worden geïdentificeerd indien hij/zij 25,01% van de stemrechten of van het eigendomsbelang in het kapitaal van de respectievelijke vennootschap aanhoudt.

      De drempel van 25% is echter geen harde ondergrens, het is louter een indicatie. Met andere woorden, het wil niet zeggen dat wanneer een natuurlijk persoon slechts 23,75% of 18% van de stemrechten in een vennootschap bezit, hij automatisch ontsnapt aan de UBO-procedure. Of een persoon al dan niet als UBO aangemerkt wordt case-by-case beoordeeld. Voor uitgebreide voorbeelden verwijzen wij naar de FAQ.

    • Voor vennootschappen dient tevens de cascadetest te worden toegepast. Indien de natuurlijk persoon waarop de test wordt toegepast niet over een rechtstreeks of onrechtstreeks toereikend percentage van de stemrechten of het eigendomsbelang in de vennootschap beschikt (cfr. 1e categorie UBO’s voor vennootschappen), dan dient de informatieplichtige te analyseren of deze persoon zeggenschap heeft over deze vennootschap via andere middelen (cfr. 2e categorie van UBO’s voor vennootschappen). Het feit dat een UBO wordt geïdentificeerd als behoren tot de 1e of 2e categorie heeft geen enkele invloed op de toepassing van de cascadetest op elke andere persoon die mogelijks tot één van deze categorieën behoort. De informatieplichtige zal enkel de derde categorie kunnen kiezen als geen enkele UBO die tot één van de eerste twee categorieën behoort, kan worden geïdentificeerd.

    • Voorts wordt ook het begrip ‘leidinggevend personeel’ omschreven als personen werkzaam in een vennootschap die in de praktijk de meest beslissende invloed uitoefenen op het beheer van de vennootschap. Het kan o.a. gaan om de CEO, de voorzitter van het directiecomité of bij afwezigheid daarvan de bestuurder, de zaakvoerder, de afgevaardigde van het dagelijks bestuur, een lid van de directieraad… Deze opsomming is niet-exhaustief.

  • Wat betreft de UBO’s voor vzw’s, stichtingen, trusts, fiducieën of een gelijkaardige juridische constructie:

    • Aangezien in het Belgisch recht de trust geen juridisch gekende entiteit is, kan het luik ‘trusts’ alleen buitenlandse trusts bevatten.

      Het luik ‘fiducieën’ wordt tot op heden nog niet nader ingevuld en is als dusdanig dan ook uitsluitend van toepassing op buitenlandse fiducieën.

    • Een entiteit van deze tweede categorie kan optreden als intermediaire entiteit en meer dan 25% van een vennootschap bezitten of er zeggenschap over uitoefenen. In dat geval zullen alle personen die werden geïdentificeerd als UBO van de intermediaire entiteit, worden aangemerkt als UBO van de vennootschap.

  • Zoals omschreven in onze nieuwsbrief d.d. 11 januari 2019 zullen de blote eigenaar en de vruchtgebruiker verplicht geregistreerd moeten worden als UBO indien het toereikend percentage van 25% overschreven is. De FAQ vult aan dat zowel de vruchtgebruiker als de blote eigenaar geregistreerd worden als UBO categorie 1 (cfr. vennootschappen – bezit van toereikend percentage van de stemrechten). In het veld “Opmerkingen” dient alsnog verduidelijkt te worden dat het gaat om de vruchtgebruiker of blote eigenaar van effecten.

    In geval van een onverdeeldheid die aanleiding geeft tot een gezamenlijke controle van meer dan 25%, worden alle personen (vruchtgebruiker als blote eigenaar samen) in de onverdeeldheid als UBO geregistreerd. Eveneens dient in het veld “Opmerkingen” vermeld te worden dan het in casu om een onverdeeldheid gaat.

  • · Voorts bespreekt de FAQ voor het eerst de procedure voor mandaten:

    • Een wettelijke vertegenwoordiger kan via twee wegen aan een derde persoon een mandaat geven om in zijn plaats het UBO-register in- en aan te vullen: 1) Intern mandaat (‘Role Management Administration’ systeem: de wettelijke vertegenwoordiger van een informatieplichtige verleent de rol aan één van de werknemers van de betrokken informatieplichtige, 2) extern mandaat: de wettelijke vertegenwoordiger verleent aan een externe derde (o.a. boekhouder, adviseur…) om de informatie in zijn naam in te vullen.

      Om het beheer van mandaten te vergemakkelijken, kunnen deze verleend worden zonder fysieke verplaatsing van de cliënt noch zijn mandataris.

    • Een buitenlandse wettelijke vertegenwoordiger daarentegen dient een aanvraag in voor het verkrijgen van een elektronische vreemdelingenkaart met een geactiveerd authentificatiecertificaat of een vreemdelingentoken bij één van de bevoegde bureaus in deze materie.

  • Ten slotte worden enkel belangrijke elementen verduidelijkt:

    • De informatie over de UBO’s die is opgenomen in het UBO-register moet toereikend, accuraat en actueel zijn. Elke wijziging van informatie, die al opgenomen is in het register, moet binnen de maand worden meegedeeld. Deze termijn van één maand is overigens ook van toepassing op nieuw opgerichte entiteiten.

      De UBO’s bevestigen jaarlijks vanaf de laatste registratie of de informatie nog correct is en werken bij indien dit nodig is.

    • o Het UBO-register kan worden geraadpleegd door elke burger in het geval de UBO een vennootschap is. Deze toegang is echter beperkt tot bepaalde informatie en is betalend.

    • Elk persoon die een legitiem belang aantoont in het geval de UBO een VZW, stichting, trust, fiducie of gelijkaardige juridische constructie is. Deze toegang is eveneens beperkt en tegen betaling.

      In het geval van een vennootschap waarbij de tussenliggende entiteit een VZW, stichting, trust, fiducie of gelijkaardige juridische constructie is, zal de UBO van deze laatste entiteit slechts zichtbaar zijn voor personen die een legitiem belang aantonen.

    • Een UBO heeft tevens de mogelijkheid om kennis te nemen van alle overheden, instellingen en personen die gedurende de laatste zes maanden zijn/haar gegevens heeft geraadpleegd en bijgewerkt, met uitzondering van de gegevens van de bestuurlijke en gerechtelijke overheden belast met opsporing en bestraffing van misdrijven. De UBO richt haar vraag om kennis te nemen aan de Administrateur-Generaal van de Algemene Administratie van Thesaurie.

      De raadpleging van de gegevens in het register word geregistreerd en bewaard voor een periode van 10 jaar.

    • De Algemene Administratie van Thesaurie kan tevens op verzoek van een UBO of zijn lasthebber, de informatie die hem/haar betreft, volledig of gedeeltelijk verbergen.

      Merk wel op dat de mogelijkheid een afwijking aan te vragen om informatie te laten verschijnen in het UBO-register heeft enkel betrekking op de zichtbaarheid van de geregistreerde informatie en in geen geval op de verplichting deze informatie te laten registreren.

      De aanvraag dient verplicht vergezeld te zijn van een document of een stuk dat aantoont dat toegang tot deze informatie bv. een onevenredig risico zou teweeg brengen, een risico op fraude, ontvoering, pesterijen… Indien een UBO minderjarig of handelingsonbekwaam is, kan deze afwijking automatisch worden toegestaan bij de registratie van de gegevens.

Conclusie

Voor maatschappen en stichtingen is echter geen reden tot ongerustheid aangezien zij nog steeds valabele instrumenten zijn voor een doorgedreven vermogensplanning. Het dient bovendien benadrukt te worden dat louter het bestaan van een maatschap of stichting kenbaar wordt gemaakt, niet de inhoud of het vermogen ervan.

De mogelijkheden om discretie te behouden zijn o.a.: onder de drempel blijven van 25 % (niet sluitend), een minderjarige UBO, het verplicht moeten aantonen van legitiem belang…

Verdere wijzigingen en ontwikkelingen binnen het UBO gebeuren wordt door ons team uiteraard op de voet gevolgd. Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met Julie Raymaekers, Peter Meeuwssen, Robby Ackermans, Dirk De Groot en Alain Claes.

Witte rook voor Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen

Op 28 februari 2019 heeft de Kamer het langverwachte Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (afgekort WVV) dan toch goedgekeurd. Vanaf 1 mei 2019 heeft ons land bijgevolg een nieuw vennootschapsrecht.

Het huidige Wetboek van Vennootschappen - dat reeds van 7 mei 1999 dateert – is niet langer aangepast aan de hedendaagse behoeften van het bedrijfsleven. Met het WVV tracht de wetgever België opnieuw aantrekkelijker en competitiever te maken als vestigingsland voor binnen- en buitenlandse ondernemingen en maakt men het vennootschapsrecht eenvoudiger en meer flexibel.

Een greep uit de nieuwigheden:

  • De beperking van het aantal vennootschapsvormen tot 4 (in hoofdzaak): maatschap, CV, BV en NV;

  • De afschaffing van het kapitaalvereiste in de BV;

  • Invoering van een verscherpt financieel plan waaruit blijkt dat de vennootschap bij oprichting over een ‘toereikend aanvangskapitaal’ beschikt;

  • Nieuwe regels bij uitkeringen (netto-actieftoets én liquiditeitstoets);

  • De invoering van aandelen met meervoudig stemrecht: zo zou u 90 procent van de aandelen in uw bedrijf kunnen schenken aan de kinderen, zelf 10 procent behouden en toch de meerderheid van de stemmen behouden (bij beursgenoteerde vennootschappen kan maximaal een dubbel stemrecht gelden);

  • De beperking van de bestuurdersaansprakelijkheid afhankelijk van de grootte en de omvang van de vennootschap (beperking van 125.000 EUR tot 12.000.000 EUR): op de valreep werd deze regeling nog aangepast. De grens komt er alleen voor “toevallige lichte fouten” en niet voor herhaalde lichte fouten of een zware fout.

  • De mogelijkheid om uit te treden uit de BV lastens het vennootschapsvermogen (zoals nu reeds bij CVBA bestaat);

  • De mogelijkheid om een ontslag van een bestuurder in een NV te koppelen aan een opzeggingstermijn of ‘vertrekvergoeding’;

  • Een bestuurder met een belangenconflict mag niet langer deelnemen aan de stemming;

  • De implementering van het verenigingsrecht, naast het vennootschapsrecht, in het nieuwe wetboek;

Het WVV treedt in werking op 1 mei 2019. Voor reeds bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen worden de nieuwe regels van kracht op 1 januari 2020, met de mogelijkheid om al voordien voor een “opt-in” te kiezen. Alle vennootschappen, verenigingen en stichtingen dienen hun statuten aan te passen op het ogenblik van een eerste statutenwijziging na 1 januari 2020, doch in elk geval uiterlijk tegen 1 januari 2024.

Sherpa Law staat alvast paraat om u te begeleiden bij deze nieuwe uitdaging. Vragen? Contacteer Tom Vanraes, Partner Corporate & Commercial (tom.vanraes@sherpalaw.be).

Nederlands
Français
English