Dirk De Groot wordt partner

Sherpa Law heeft de eer en het genoegen aan te kondigen dat Mr. Dirk De Groot vanaf september 2019 toetreedt als Partner.

Dirk is sinds 2001 actief als fiscaal jurist. Aanvankelijk voltijds in de academische wereld, sedert 2010 ook in de advocatuur. Hij legt zich vandaag hoofdzakelijk toe op alle aspecten van het familiaal vermogensrecht en de Estate Planning.

Dirk helpt onze cliënten bij het georganiseerd overdragen van hun vermogen of onderneming. Als adviserend én pleitend advocaat behandelt hij bovendien met grote deskundigheid alle aspecten van nalatenschappen, met inbegrip van procedures voor de burgerlijke en fiscale rechtbanken, alsmede de vereffening en verdeling ervan.

Dirk is een graag geziene spreker op seminaries waarbij hij eerder complexe materie op een begrijpbare, praktische en interactieve wijze brengt.

Bijkomend wordt zijn rol als mentor van onze jongere krachten binnen het team Estate Planning van Sherpa Law erg gewaardeerd.

Het doet ons dan ook veel plezier dat Dirk mee zijn schouders onder ons groeitraject zet.

Belgen in het buitenland … en de fiscus die over de schouder meekijkt

Recent werd er door verschillende media bericht dat de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) zo’n 100 miljoen euro aan verschuldigde belastingen opeist van Belgen die hun officiële woonplaats in Monaco geveinsd zouden hebben, en bijgevolg ten onrechte aanspraak hebben gemaakt op de verscheidene Monegaskische belastingvoordelen. De loutere domicilieverplaatsing naar Monaco zonder er effectief te wonen werd door de fiscus in vele gevallen doorprikt.
Ook Belgen die woonachtig zijn in Portugal worden, zo blijkt, door de Belgische fiscus onder de loep genomen. Portugal, dat misschien minder gekend is omwille van haar belastingvoordelen, voorziet immers ook in een aantrekkelijke belastingregime voor immigranten uit andere EU landen. Het respectievelijke regime voor de zogenaamde “Non Habitual Residents”, biedt in hoofdzaak een vrijstelling aan belastingen de eerste 10 jaar na registratie als “Non Habitual Residents” voor een geheel van buitenlandse inkomsten. Ten gevolge van het dubbelbelastingverdrag (en het hogergenoemd “Non Habitual Residents” regime), worden ook pensioenen (met uitzondering van pensioenen toegekend aan ambtenaren) belastingvrij genoten door Belgen die gevestigd zijn in Portugal. Daarbij komen ook nog eens de (algemene) erg gunstige tarieven inzake schenk- en erfbelasting van 10%, wat Portugal bijgevolg een aantrekkelijk land maakt voor de vermogende families.
Eén van de voornaamste voorwaarde om te genieten van voornoemd regime bestaat er evenwel in om minstens 183 dagen over een periode van 12 maanden werkelijk te verblijven in Portugal. Voor de Portugese autoriteiten zal een verblijf van dit aantal dagen uiteraard volstaan om in aanmerking te komen van dit regime. Maar daartegenover staat evenwel de argwanende houding van de Belgische fiscus, die elk dossier feitelijk zal benaderen – en zich niet zal vastpinnen op een verblijfplaats die bepaald zal worden door een officieel adres of een aanwezigheid aantal dagen.
Het voornoemde Portugese gunstregime, en de bijhorende stijging van de Belgen die zich definitief in Portugal wensen te vestigen, leidt er immers toe dat de Belgische fiscus op heden actief op zoek gaat naar enige ficties of enige constructies louter opgesteld om de voormelde belastingvoordelen te behalen. De uitwisseling van financiële informatie over ingezeten tussen lidstaten maakt dat ook de Belgische fiscus gericht kan zoeken.
Uit voornoemde actuele berichten stelt men dan ook vast dat de Belgische fiscus de landgenoten officieel woonachtig in het buitenland meer en meer onderwerpt aan een feitelijke controle van het buitenlands dan wel binnenlands fiscaal inwonerschap. Een loutere domicilieverplaatsing volstaat zoals gezegd niet om fiscaal in het buitenland gevestigd te zijn – hetgeen ook door de fiscus enigszins terecht wordt beargumenteerd. Een officiële woonplaats kan bijgevolg niet meer zijn dan een indicatie van fiscale woonplaats.
Daarentegen zal elk dossier een afzonderlijke benadering vereisen. Er dient nagegaan te worden waar de verschillende belangen van de inwoner zich centraliseren: waar bevindt zijn familie zich, waar houdt de inwoner zijn financiële belangen aan (rekening bij banken, verzekeringen,…), op welke plaatst besteedt hij zijn vrije tijd (sportclubs, restaurants), waar is de plaats van zijn tewerkstelling, waar geniet hij zijn algemene gezondheidszorgen, enz. Dit is vanzelfsprekend een erg feitelijke oefening, en kan vlug aanleiding geven voor enige discussie met de Belgische fiscus.
Heeft u het voornemen om in de toekomst over de landsgrenzen heen te verhuizen, of bent u dat reeds - maar bevinden veel van uw (hogergenoemde) belangen zich nog in België - dan doet u er goed aan klare wijn te schenken. Neem contact op met onze partners Alain Claes, Peter Meeuwssen of Robby Ackermans. Zij staan u voor al uw vragen dienaangaande te woord.

De boekhoudkundige verplichtingen van de familiale maatschap en de Belgische private stichting

De familiale maatschap is een boekhoudplichtige onderneming

Het is genoegzaam bekend dat de familiale maatschap, sedert het gewijzigde ondernemingsrecht, verplicht is tot het voeren van een boekhouding en tot het opstellen van een jaarrekening.

Als uitgangspunt stelt de wetgever dat iedere familiale maatschap op heden een dubbele boekhouding moet voeren. Doch, voor zover de jaarlijkse omzet van de familiale maatschap niet groter is dan 500.000 euro (exclusief btw), staat het de familiale maatschap vrij een enkelvoudige boekhouding te voeren. Het begrip omzet wordt daarbij wettelijk gedefinieerd als “…het bedrag van de andere dan niet-recurrente ontvangsten”.

Bij een ontwerpadvies van 15 mei 2019, heeft de Commissie van Boekhoudkundig Normen (CBN) getracht meer duidelijkheid te scheppen omtrent het begrip “omzet”, en verder ook de begrippen “ontvangsten” en “recurrent”. Het ontwerp stelt dat onder ontvangsten moet worden begrepen:

[…] alle ontvangsten ongeacht of deze een opbrengst uitmaken in de zin van een dubbele boekhouding. Zo betekent de verkoop van een machine die duurzaam wordt gebruikt voor de bedrijfsuitoefening voor een bedrag van 100 een ontvangst van 100 ongeacht de boekwaarde die deze machine zou hebben gehad indien een dubbele boekhouding zou zijn gevoerd.[…] met recurrent wordt bedoeld dat het gaat om courant voorkomende ontvangsten voor de betrokken entiteit die dus niet uitzonderlijk zijn”.

Dergelijke ruime opvatting leert ons dat omzet bepaald wordt door ontvangsten, en niet door meerwaarden of opbrengsten die toekomen aan de familiale maatschap, hetgeen in de praktijk veel vragen en bedenkingen heeft doen oproepen.

Denk bijvoorbeeld aan een beleggingsportefeuille gehouden door de familiale maatschap. Het is onbetwist dat de interesten en dividenden behoren tot de omzet. Maar behoort een terugbetaling van kapitaal, of interesten/dividenden die werden toegekend, doch nog niet werden betaald, tevens tot de ontvangsten (en dus) omzet van de familiale maatschap?

Daarenboven duidt het boekhoudrecht het begrip “niet-recurrente ontvangsten” onder algemene bewoording als “opbrengsten die een bedrijfskarakter hebben maar geen verband houden met de gewone bedrijfsuitoefening van de vennootschap.

De andere dan niet-recurrente ontvangsten zouden dan deze zijn die een verband houden met de gewone bedrijfsuitoefening van de vennootschap.

Voor een familiale maatschap zou dit impliceren dat een ontvangst in deze optiek recurrent is zodra zij resulteert uit het in stand houden, het beleggen, het verkopen, het verzekeren, … van (een bestanddeel van) haar familiale activa. Onder deze benadering zou dan iedere verkoop van effecten, ondergebracht in de beleggingsportefeuille, een ontvangst opleveren en dus tot de omzet van de familiale maatschap behoren. Bijgevolg dreigen vele familiale maatschappen die zich inlaten met een actief beheer van het familiaal vermogen ten gevolge van deze benadering een dubbele boekhouding te moeten voeren. Het is maar zeer de vraag of de wetgever inderdaad de bedoeling heeft gehad de familiale maatschappen te behandelen zoals de andere ondernemingen.

De gewijzigde boekhoudkundige verplichtingen van de Belgische private stichting

De Belgische private stichting is al langer wettelijk verplicht een boekhouding te voeren, die evenredig is aan haar grootte. Deze groottecriteria werden onlangs aangepast en tevens toegelicht in een recent ontwerpadvies van de CBN van 5 juni 2019. Samengevat bestaan er onder het huidige wettelijk kader drie types stichtingen naargelang hun grootte: een microstichting, een kleine stichting en een grote stichting.

In hoofdzaak is een stichting “klein” als op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één van de volgende (nieuwe) criteria wordt overschreden:

  • jaargemiddelde van 50 werknemers (FTE);

  • jaaromzet (excl. btw): 9.000.000 euro;

  • balanstotaal: 4.500.000 euro.

Is er een overschrijding van hogergenoemde criteria gedurende twee achtereenvolgende boekjaren, dan is de stichting vanaf het derde boekjaar “groot”.

Voor de beoordeling van een microstichting wordt eenzelfde methode gebruikt, met toepassing van volgende criteria:

  • jaargemiddelde van 10 werknemers (FTE);

  • jaaromzet (excl. btw): 700.000 euro;

  • balanstotaal: 350.000 euro.

Wij merken op dat (behoudens de cijfermatige aanpassingen) het oorspronkelijk groottecriterium van “ontvangst” gewijzigd werd naar “jaaromzet”. Onder “omzet” dient in deze context begrepen te worden, […] het bedrag van de verkoop van goederen en de levering van diensten aan derden, in het kader van de gewone bedrijfsuitoefening van de vzw, ivzw of stichting, onder aftrek van de op de verkoopprijs in handel toegestane kortingen. Btw of enige andere belastingen op deze verkopen behoren evenwel niet tot de omzet.

Tegelijk wordt er in een afwijkende regeling voorzien: […] wanneer de opbrengsten die voortspruiten uit het gewoon bedrijf van een stichting voor meer dan de helft bestaan uit opbrengsten die niet beantwoorden aan de omschrijving “omzet”, moet voor de beoordeling van de grootte van een stichting onder “omzet” worden verstaan: het totaal van de bedrijfs- en financiële opbrengsten met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten. Het betreft met name de recurrente opbrengsten - ontvangsten die courant voorkomen en bijgevolg niet uitzonderlijk zijn. Bij de toepassing van het afwijkend regime, zouden aldus schenkingen en legaten tot de omzet van de stichtingen kunnen behoren, uiteraard op voorwaarde dat zij een recurrente opbrengst uitmaken van de private stichting. Ook voor een gerealiseerde meerwaarde op een beleggingsportefeuille geldt eenzelfde redenering.

De private stichting voert haar boekhouding verder volgens het respectievelijk verkort-, micro- of volledig schema.

De kleine stichting (en a fortiori ook de microstichting) kan er evenwel voor opteren haar boekhouding te voeren volgens het enkelvoudig model, op voorwaarde dat op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één van volgende criteria wordt overschreden:

  • jaargemiddelde van 5 werknemers;

  • in totaal 334.500 euro aan andere dan niet-recurrente ontvangsten, exclusief btw;

  • in totaal 1.337.000 euro aan bezittingen;

  • In totaal 1.337.000 euro aan schulden;

De raad van bestuur van de private stichting zal bijgevolg ieder jaar nagaan of men de boekhouding naar het enkelvoudig model kan voeren – en beslissen of er inderdaad van deze mogelijkheid gebruik zal worden gemaakt.

De private stichting dient verder haar jaarrekening steeds neer te leggen. Zo de stichting aan de voorwaarden voldoet om een enkelvoudige boekhouding te voeren, zal zij haar jaarrekening (ongeacht of deze enkelvoudig is dan wel dubbel) neerleggen bij griffie van de Ondernemingsrechtbank van het arrondissement waar haar zetel gevestigd is. In alle andere gevallen wordt de jaarrekening van de private stichting neergelegd bij de Nationale Bank van België. Recent werd evenwel een wetsvoorstel ingediend waardoor élke private stichting haar jaarrekening moet neerleggen bij de Nationale Bank van België. Dit voorstel is evenwel nog niet definitief.

Wij benadrukken tot slot dat ook de jaarrekening van de private stichting tot slot discreet is. Zij wordt niet openbaar gemaakt.

Het Estate Planning Team van Sherpa Law volgt hogergenoemde boekhoudkundige verplichtingen nauwgezet op. Wenst u meer informatie omtrent deze gewijzigde verplichtingen, aarzelt u dan niet contact op te nemen met Peter Meeuwssen of Robby Ackermans

Verklaring van behoud: de tijd dringt!

In ons artikel van 4 januari 2019 wezen we reeds naar de techniek en de werkwijze van de zogenaamde ‘verklaring van behoud’. Volgens recente bron hebben de afgelopen maanden een 1.600 tal Belgen een verklaring van behoud afgelegd bij hun notaris. De tijd dringt echter voor uw successieplanning: wie een verklaring van behoud wil afleggen heeft tijd tot en met 1 september 2019.

Sinds 1 september 2018 is het nieuwe Erfrecht van kracht. Door deze hervorming moet de notaris de waarde van uw vermogen op dag van overlijden anders berekenen. Bij uw overlijden, zal de notaris een optelsom maken van de goederen die u bezit bij overlijden, alsook van de schenkingen gedaan tijdens uw leven. De taak van de notaris bestaat er aldus in na te gaan of de reservataire erfgenamen hun wettelijk deel hebben gekregen en of de gelijkheid tussen de erfgenamen werd gerespecteerd.

Voortaan moet de notaris de waarde van de eerder gedane schenkingen indexeren tot op datum van overlijden. Deze regel is van toepassing op alle overlijdens vanaf 1 september 2018, alsook op alle schenkingen gedaan voor die datum. Overigens is het van toepassing op roerende en onroerende goederen.

Voor een duidelijke omschrijving van het principe, de (eventuele) noodzaak om zo’n verklaring af te leggen en enkele praktische voorbeelden, verwijzen we naar bovenstaand artikel.

Wij willen u graag nog volgende aandachtspunten meegeven:

  • De verklaring van behoud geldt voor alle schenkingen die u voor de inwerkingtreding van het nieuwe Erfrecht deed (d.d. 1 september 2018);

  • De verklaring van behoud heeft uitsluitend gevolgen voor schenkingen die gedaan zijn voor 1 september 2018. Op schenkingen gedaan na deze datum zijn automatisch de nieuwe waarderingsregels van toepassing;

  • De verklaring van behoud kan enkel worden afgelegd voor de notaris, aldus door middel van een authentieke akte;

  • De verklaring is eenzijdig. Enkel de schenker legt deze af, de begiftigde(n) van de schenkingen komen niet tussen in deze akte.

Indien u zich na het lezen van onze artikels genoodzaakt voelt een verklaring van behoud af te leggen, onderneem dan zo snel mogelijk actie. Wij kunnen u bijstaan bij het doorlichten van uw successieplanning en u correct adviseren of er al dan niet een verklaring van behoud moet worden afgelegd.

Voor meer informatie, contacteer: Peter Meeuwssen of Robby Ackermans

Tom Vanraes wordt Bondsprocureur van Tennis Vlaanderen

Nieuw bondsparket gekend

Tennis Vlaanderen zet haar professionaliseringsproces verder. Na de hervorming van de raad van bestuur en de adviescommissies en de oprichting van een tennisparlement werd nu ook een professioneel bondsparket geïnstalleerd.

De bondsprocureur wordt Tom Vanraes, geflankeerd door Anne Wils en Wendy Van Mechelen als substituten.

Tom Vanraes, 43 jaar, uit Rotselaar, tennisspeler en interclubkapitein bij TC Wezemaal, is advocaat-vennoot bij Sherpa Law en heeft o.a. expertise in het verenigingsrecht en sportrecht.

Anne Wils, 30 jaar, interclubspeelster en gediplomeerde interclubleider en scheidsrechter van TC As, is advocate bij Claeys & Engels en eveneens gespecialiseerd in sportrecht.

Wendy Van Mechelen, 48 jaar uit Destelbergen, speelster, wedstrijdleider, scheidsrechter en interlubleider bij TC Racso en tevens houder van het initiator-trainersdiploma, is advocate aan de balie te Gent.

Per 1 juli is in lijn met de hervorming van het tuchtorgaan tevens een nieuw tuchtreglement met aansluitende gedragscodes van kracht, alsook een nieuwe tucht- en beroepscommissie, exclusief samengesteld uit juristen uit de tennis- en padelwereld.

Het doel van deze ganse operatie is naast een nieuwe stap te zetten in de verdere professionalisering, ook de tennis-en padelsport versterkt te bewaken voor de negatieve aspecten vanuit onze maatschappij.

Zo begon het 5 jaar geleden

Sherpa Law - een nieuwe naam, maar ervaring te over

Jo RoselethTom Vanraes en Alain Claes richten samen het kantoor Sherpa Law op. Zij leerden elkaar kennen bij De Broeck Van Laere & Partners, waar zij allen al sinds 2007 vennoot waren.

Het kantoor is gefundeerd op drie complementaire pijlers” stelt Mr. Jo Roseleth “Fiscaal recht, ondernemingsrecht en vermogensrecht en -planning zijn stuk voor stuk uitdagende gebieden waar u zich als ondernemer in begeeft. Sherpa Law begeleidt u hierbij. Net als de gidsen in het Himalayagebergte zijn wij bij Sherpa Law samen met u op weg, zetten we ambitieuze expedities op en zorgen wij voor op maat gemaakte oplossingen voor steile hellingen. Sherpa Law staat naast u om samen een ideaal parcours uit te stippelen in het complexe kluwen van wetgeving, rechtspraak en rechtsleer. Om samen met u aan de top te geraken”. 

Sherpa Law is een ondernemend advocatenkantoor dat zich specialiseert in de bovengenoemde takken. Deskundigheid, duurzame waardecreatie en kennisdeling staan centraal in onze no-nonsense aanpak op maat van onze cliënten” bevestigt Mr. Tom Vanraes.

Ondernemers en hun familie, hun ondernemingen en dit in samenwerking met hun andere adviseurs (boekhouders, accountants, bedrijfsrevisoren, bankiers…) worden vanuit een passie voor het vak bijgestaan door onze ervaren experts. De combinatie van deze juridische ervaring en de dynamiek van een onafhankelijk en creatief team ambieert dan ook de top in haar vakgebied” voegt Mr. Alain Claes er aan toe. “Als u uw eigen Mount Everest op wil, begeleidt Sherpa Law u tot boven met de juiste bagage en een stevige portie doorzettingsvermogen”.

Een fantastisch en leerrijk avontuur. Het kantoor is ondertussen uitgegroeid tot een prachtig bedrijf met enthousiaste collega's en een erg dankbaar cliënteel. The story continues…

Aandelen weggeschonken en fiscus benadeeld ? Daar komt Paulius alweer !

Inleiding

In een vorig artikel op onze website bespraken wij een arrest van het hof van beroep van Brussel van 12 april 2018. In dit arrest bevestigde het hof te Brussel dat het niet mogelijk is de fiscus of andere schuldeisers te benadelen door een nalatenschap te verwerpen (en door de inkorting dus niet in te roepen), tenzij de verwerping legitieme doelstellingen heeft. Het hof te Brussel hanteerde hiervoor de Pauliaanse vordering ; die is erop gericht schuldeisers te beschermen tegen hun schuldenaars die zich bedrieglijk onvermogend hebben gemaakt.

Uit een recente uitspraak van het hof van beroep te Gent van 12 februari 2019 blijkt opnieuw de kracht van de Pauliaanse vordering in fiscale zaken.

De Feiten

In casu had de belastingplichtige in 1992 samen met zijn zoon een vennootschap opgericht waarin hij 97% van de aandelen bezat en zijn zoon de overige 3% bezat. De belastingplichtige overlijdt in 2007, maar had nog achterstallige belastingschulden. De zoon beweert dat vader hem zijn aandelen onmiddellijk na de oprichting van de vennootschap geschonken had. Die aandelen zouden aldus niet meer in de nalatenschap vallen, waardoor de fiscus in de kou blijft staan. De fiscus van zijn kant eist dat de aandelenoverdracht hem niet tegenstelbaar wordt verklaard. Hiervoor doet de fiscus beroep op de Pauliaanse vordering.

Oordeel hof van beroep

Het hof bespreekt de voorwaarden voor een succesvolle Pauliaanse vordering. In het geval van een schenking moet in principe aan drie voorwaarden voldaan zijn. Vooreerst moet de schenking plaatsgevonden hebben na het ontstaan van de schuld. Vervolgens maakt de schenking het onmogelijk voor de schuldeiser om zijn schuld betaald te krijgen. Ten slotte moet de schenker weten dat hij zich door de schenking verarmt en dus zijn schuldeiser benadeelt. Er is niet vereist dat de begiftigde (hier : de zoon) weet dat de schenking de schuldeiser benadeelde.

In dit specifieke geval oordeelt het hof dat het vaststaat dat de belastingplichtige de schenking verrichtte met als enige doel zich te onttrekken aan toekomstige belastingschulden ; ten tijde van de schenking zou de vader nog geen fiscale schulden hebben gehad !

Het hof stelt immers vast dat door deze schenking de belastingplichtige amper nog een vermogen had, waardoor het onmogelijk werd en bleef voor de fiscus om nog enige belastingschuld in te vorderen. Om deze reden maakt het niet uit wanneer de aandelen werden geschonken aan de zoon. Zelfs als de zoon al kan bewijzen dat de schenking in 1992 plaatsvond, wat hij niet kan, zou de Pauliaanse vordering succesvol zijn.

Het gevolg is dat de aandelen terugkeren naar de nalatenschap zodat hun waarde (eventueel na uitwinning) in aanmerking komt voor het voldoen van de fiscale schuld.

Hier stuit de administratie echter op een volgend probleem. Tijdens de jarenlange procedure had de zoon de vennootschap ontbonden en vereffend. De aandelen bestaan met andere woorden niet meer en kunnen dus ook niet terugkeren naar de nalatenschap. De fiscus vordert daarom een schadevergoeding van de zoon, gelijk aan het bedrag van de belastingschuld. Het hof van beroep geeft ook hier de fiscus gelijk. Door het ontbinden en vereffenen van de vennootschap zonder te wachten op de definitieve rechterlijke uitspraak, was de zoon, als bestuurder, onzorgvuldig. Hij heeft zich dus niet gedragen zoals men van een normaal en voorzichtig bestuurder kan verwachten en draagt daar nu de gevolgen van.

Besluit

Opnieuw blijkt dus dat de fiscus met de Pauliaanse vordering een krachtig wapen in zijn arsenaal heeft tegen de belastingplichtige die zichzelf onvermogend maakt. Het is zeer belangrijk op te merken dat de schenking in deze casus het ontstaan van de belastingschuld voorafging. Het feit dat men zich onvermogend maakt en daardoor mogelijks in de toekomst zijn belastingschulden niet kan betalen, is voldoende voor het hof om de vordering van de fiscale administratie toe te kennen.

Het is daarom belangrijk in dergelijke aangelegenheden degelijk advies in te winnen.

Auteurs: Fréderic Stynen & Dirk De Groot

Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met Peter Meeuwssen, Robby Ackermans of Dirk De Groot

Ik kom tussen voor derden bij de verkoop van handelsfondsen of aandelen van niet-beursgenoteerde vennootschappen: moet ik mij alsnog registreren ?

De evolutie inzake antiwitwaswetgeving heeft soms onverwachte gevolgen. In de vierde antiwitwasrichtlijn (4th AMLD) van de Europese Unie werd voorzien dat de “aanbieders van trustdiensten of vennootschapsrechtelijke diensten” zich moeten onderwerpen aan de wet en de bijhorende verplichtingen. Om dit mogelijk te maken, heeft de Belgische wetgever in een registratieverplichting voorzien, maar heeft hij evenwel ook een eigen invulling gegeven aan dit begrip. Deze dienstverleners moesten reeds geregistreerd zijn vanaf 1 maart 2019. De eerste controles op het naleven van deze registratieverplichting zijn nu evenwel aangekondigd, reden waarom het nuttig lijkt om deze verplichting nogmaals kort toe te lichten. Wie moet zich registreren en wie niet ?

In de “Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU)nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie” (Vierde Richtlijn) werd voorzien dat ook aanbieders van trustdiensten of vennootschapsrechtelijke diensten onder het toepassingsgebied van de preventieve antiwitwaswetgeving moesten gebracht worden.

Europees begrip

In de richtlijn werden deze “aanbieders van trustdiensten of vennootschapsrechtelijke diensten” als volgt omschreven;

• a) oprichten van vennootschappen of andere rechtspersonen;

• b) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als bestuurder of secretaris van een vennootschap, als vennoot in een maatschap of in een soortgelijke hoedanigheid met betrekking tot andere rechtspersonen;

• c) verschaffen van een statutaire zetel, bedrijfsadres, administratief of correspondentieadres en verlening van andere daarmee samenhangende diensten voor een vennootschap, een maatschap of andere rechtspersoon of juridische constructie;

• d) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als trustee van een express trust of van een soortgelijke juridische constructie;

• e) optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als gevolmachtigd aandeelhouder voor een andere persoon waarbij het niet gaat om een op een gereglementeerde markt genoteerde vennootschap die is onderworpen aan openbaarmakingsvereisten overeenkomstig het recht van de Unie, of aan gelijkwaardige internationale standaarden;

Belgische invulling

In de “Wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten” (WWPW) die de preventieve antiwitwaswetgeving volledig herschreven heeft onder de invloed van de richtlijn, werd dan ook voorzien dat ook de "de dienstverleners als bedoeld in de wet van ??? tot registratie van de aanbieders van vennootschapsrechtelijke diensten" onderworpen worden aan de Wet. Dit is inmiddels gewijzigd in “de dienstenverleners aan vennootschappen bedoeld in artikel 3, 1°, van de wet van 29 maart 2018 tot registratie van de dienstenverleners aan vennootschappen”. Het is inderdaad pas in de Wet van 29 maart 2018 dat aan de registratieverplichting vorm werd gegeven.

De Wet van 29 maart 2018 omschrijft deze “dienstverleners aan vennootschappen” als “elke natuurlijke of rechtspersoon die beroepsmatig een van de volgende diensten aan derden aanbiedt:

• a) deelnemen aan de aan- of verkoop van aandelen van een vennootschap met uitzondering van deze van een beursgenoteerde vennootschap;

• b) een maatschappelijke zetel aan een onderneming, een rechtspersoon of een soortgelijke juridische constructie verschaffen;

• c) een bedrijfs-, administratief of correspondentieadres en andere daarmee samenhangende diensten verschaffen aan een onderneming, een rechtspersoon of een soortgelijke juridische constructie”

De keuze van de wetgever is ingegeven door de analyse dat een aantal van de in de richtlijn vermelde diensten (a, b en d hierboven vermeld) in België niet daadwerkelijk worden uitgeoefend (hoofdzakelijk trustdiensten). Samengevat zou men kunnen stellen dat enkel zij die beroepsmatig tussenkomen voor derden bij domiciliëringsdiensten of aan- en verkoop van niet beursgenoteerde aandelen beoogd worden.

Wie moet zich niet registreren ?

Wie deze activiteiten niet beroepsmatig doet of dit enkel voor zichzelf doen, dient zich dus niet te registeren. Het is de beroepsmatige dienstverlening aan derden die geviseerd wordt.

Een belangrijke uitzondering is ook voorzien voor al die professionelen die al in een andere hoedanigheid vallen onder het toepassingsgebied van de WWPW (“andere dan deze bedoeld in artikel 5, § 1, 1° tot 28° en 30° tot 33°, van de wet van 18 september 2017”). Moeten zich dus niet registreren: financiële instellingen, notarissen, advocaten, vastgoedmakelaars, enz. Zij worden immers allen al geviseerd. Het komt er dus op neer dat er de facto een restcategorie is gecreëerd.

Tevens betekent dit dat de tussenkomst bij het verlenen van diensten bij de verkoop van niet-beursgenoteerde aandelen en van domiciliëringsactiviteiten nu voorbehouden is aan die categorieën dienstverleners die opgelijst worden in de WWPW. Zo zullen dus juridische adviseurs, corporate finance specialisten, fiscale juristen en andere dienstverleners die onder nog geen enkele andere categorie (bewust of onbewust) ressorteerden het nodige moeten doen om zich te registreren, tenminste als zij de beoogde activiteiten verder wensen uit te voeren.

Risico’s

Wat riskeert u indien u zich niet aan deze verplichting houdt?

De Wet voorziet een geldboete van 250 tot 100.000 EUR (x 8, vermits het een strafrechtelijke boete is) voor de dienstenverlener aan vennootschappen die zijn diensten verstrekt zonder geregistreerd te zijn of die geregistreerd werd maar niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in de wetgeving. Merk overigens op dat deze boete niet enkel zal opgelegd worden aan rechtspersonen. De uiteindelijke begunstigden, zaakvoerders en bestuurders van rechtspersonen, in functie bij het opleggen van de geldboete en gedurende het voorafgaande jaar, kunnen immers hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de inbreuken.

De FOD Economie (bevoegd voor de controles) kan evenwel ook een waarschuwing richten tot de overtreder, zijn uiteindelijke begunstigden, zijn zaakvoerders en zijn bestuurders, of hen een geldsom tussen 50 en 600.000 EUR voorstellen waarvan de vrijwillige betaling de strafvordering doet vervallen.

En voor handelsfondsen ?

In de inleiding werd ook verwezen naar het verkoop van handelsfondsen. Deze dienstverlening is evenwel niet uitdrukkelijk voorzien in de Wet van 29 maart 2018 op de dienstverleners. Mogelijks is dit omdat bemiddeling voor derden bij verkoop van handelsfondsen al kan geviseerd zijn door een andere wet. De Wet van 11 februari 2013 houdende organisatie van het beroep van vastgoedmakelaar. Deze wet viseert immers de vastgoedmakelaar tot wiens activiteit behoort “bemiddelaar : wie voor rekening van derden bepalende bijstand verleent met het oog op het tot stand komen van een overeenkomst van verkoop, aankoop, ruil, verhuring of overdracht van onroerende goederen, onroerende rechten of handelsfondsen”.

De logica (en blijkbaar ook de praktijk) vereist wel dat hierbij vooral handelsfondsen bestaande uit onroerende goederen bedoeld wordt, maar deze verduidelijking is niet letterlijk te vinden in de wet.

Niettemin kunnen zouden ook andere vrije beroepen expliciet kunnen vrijgesteld worden van het verbod om tussen te komen bij de verkoop van handelsfondsen. De beoefenaars van andere vrije beroepen die immers de activiteiten van vastgoedmakelaar uitoefenen op grond van wettelijke of reglementaire bepalingen of van vaste beroepsgebruiken zijn vrijgesteld van de verbodsbepalingen, voor zover dat deze reglementaire bepalingen of vaste beroepsgebruiken de inwerkingtreding van dit besluit voorafgaan en deze personen onderworpen zijn aan de tucht van een erkende beroepsinstantie (art. 8 van Koninklijk besluit van 30 augustus 2013 betreffende de toegang tot het beroep van vastgoedmakelaar). Zo werd bijvoorbeeld al uitzonderingen voorzien voor de activiteit van syndicus (bijv. voor advocaten).

Vermits de keuze tussen een share deal en asset deal bij een overdracht niet altijd op voorhand duidelijk is, kan het enkel aangeraden worden om de procedures inzake de WWPW in beide gevallen strikt na te leven van zodra men onder het toepassingsgebied van de wet valt.

Indien u meer informatie wenst of bijstand bij de registratie en de verdere invulling van u verplichtingen in het kader van WWPW, kan u steeds contact opnemen met Alain Claes.

UBO-register: fiscus kan meekijken

In onze voorgaande nieuwsbrieven van d.d. 4 juli 2018, 27 september 2018, 11 januari 2019 en 13 februari 2019 verwezen we uitgebreid naar de komst, werking, uitvoeringsmodaliteiten en onduidelijkheden van het UBO-register.

Nadat aanvankelijk bij invoering van het UBO-register door de Wet van 18 september 2017 was voorzien dat de fiscale diensten geen toegang zouden hebben tot dit register (vandaar de oprichting bij de Afdeling Thesaurie), werd dit toegangsrecht al voorzien eind 2017.

Vandaag (28/5/2019) verscheen in het Belgisch Staatblad het Koninklijk Besluit van 12 mei 2019 tot uitvoering van artikel 322, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat de voorwaarden en modaliteiten bepaalt van de raadpleging van het register van de uiteindelijke begunstigden door de fiscale diensten.

Een toegangsaanvraag (overeenkomstig artikel 8 van het koninklijk besluit van 30 juli 2018 betreffende de werkingsmodaliteiten van het UBO-register) moet door de Administrateur-generaal van de bevoegde Algemene Administratie bij de Administratie van de Thesaurie ingediend worden. In die aanvraag moet vermeld worden welke persoon verantwoordelijk zal zijn voor het beheer van de toegangen van zijn Algemene Administratie tot het register. Zodra die aanvraag door de Administratie van de Thesaurie is aanvaard geeft deze persoon rechtstreeks toegang aan de ambtenaren van zijn Algemene Administratie. Er kan evenwel slechts toegang verleend worden aan ambtenaren met een hogere titel dan die van attaché. Dit betekent dus dat enkel ambtenaren met de titel van adviseur of hoger het register kunnen raadplegen.

Zodra de Administratie van de Thesaurie die bedoelde aanvraag heeft aanvaard, geven de personen verantwoordelijk voor het beheer van de toegangen tot het register, toegang aan de in artikel 322, § 1, derde lid van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, bedoelde ambtenaren van hun Algemene Administratie.

De raadpleging van het register geschiedt uitsluitend via het elektronisch transmissiekanaal van het toegangsplatform bij het register volgens de structuur en het formaat die de Administratie van de Thesaurie vaststelt.

Weet dus dat de fiscus ook over al deze informatie zal kunnen beschikken (van zodra het register volledig up to date is (vanaf 30 september 2019)).

Verdere wijzigingen en ontwikkelingen binnen het UBO gebeuren wordt door ons team uiteraard op de voet gevolgd. Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met Alain Claes.

Tax Shelter : het Corsan-debacle, toch niet alleen maar kommer en kwel ?

De tax shelter wetgeving, inmiddels een 15-tal jaar oud, bevat diverse voorwaarden, beperkingen en procedurevoorschriften die aanleiding kunnen geven tot betwistingen met de administratie. Verschillende opeenvolgende wijzigingen hebben de wetgeving bovendien nog complexer gemaakt.

Enkele jaren geleden bleken meerdere investeerders de dupe te worden van hun investeringen in producties van (het inmiddels failliet gegane) Corsan.

De fiscus was maar bereid tot zeer beperkte toegevingen om de gedupeerden niet extra op te zadelen met een fiscale afstraffing. Meerdere gedupeerden hebben dit standpunt dan ook aangevochten.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft zich recent uitgesproken over het belastbaar tijdperk waarin de administratie de voorheen vrijgestelde winst moet belasten.

Artikel 194ter, §4, in fine WIB 1992 (in de versie zoals van toepassing op het geschil) bepaalt:

Ingeval een of andere van deze voorwaarden gedurende enig belastbaar tijdperk niet langer wordt nageleefd of ontbreekt, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van dat belastbare tijdperk. Ingeval de onder 7° en 7°bis vermelde attesten niet binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst voor de productie van een in aanmerking komend werk worden verkregen door de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de termijn van vier jaar verstrijkt.

Eén van de discussiepunten voor de betrokken belastingplichtige betrof de vraag of de fiscus de voorheen vrijgestelde wist kan belasten in een later jaar indien de fiscus zelf opwerpt dat één van de wettelijke voorwaarden voor het verlenen of het behouden van de vrijstelling al in een eerder jaar niet werd vervuld.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen koos de kant van de belastingplichtige en vernietigde de betwiste aanslag.

Aangezien de administratie zelf had aangevoerd dat de investeerder in toepassing van artikel 194ter, §4, 6° WIB 1992 een afschrift van de raamovereenkomst had moeten toevoegen aan de aangifte voor het belastbaar tijdperk waarin hij aanspraak had gemaakt op de vrijstelling (in casu aanslagjaar 2013), oordeelde de rechtbank dat de administratie de voorheen vrijgestelde winst had moeten opnemen in de belastbare basis voor aanslagjaar 2013.

De rechtbank neemt hierbij aan dat de wetgever niet de bedoeling kan gehad hebben om dezelfde voorheen vrijgestelde winst twee maal te belasten zodat er geen “secundaire” belastbaarheid mogelijk is in een later aanslagjaar, zoals de administratie argumenteerde.

Hoewel artikel 194ter, §4, in fine WIB 1992 twee aanknopingspunten voorziet om het belastbaar tijdperk te bepalen waarin de voorheen vrijgestelde winst belastbaar wordt, oordeelde de rechter terecht dat de vrijgestelde winst die als winst moet worden aangemerkt van een voorgaand tijdperk op basis van de eerste vermelde mogelijkheid niet een tweede maal kan toegevoegd worden aan de belastbare basis van een later aanslagjaar op basis van de tweede vermelde mogelijkheid.

Ook de administratie dient zich dus te houden aan de spelregels en kan het tijdstip van belastbaarheid niet kiezen zoals het haar goed uitkomt.

Deze uitspraak kan de pil voor de betrokken belastingplichtige alvast iets verzachten.

Sherpa Law staat alvast paraat om u te begeleiden bij alle vragen omtrent huidige of oudere tax shelter issues. Vragen? Contacteer Kim Roelants of Alain Claes

Nederlands
Français
English