Tax Shelter : het Corsan-debacle, toch niet alleen maar kommer en kwel ?

De tax shelter wetgeving, inmiddels een 15-tal jaar oud, bevat diverse voorwaarden, beperkingen en procedurevoorschriften die aanleiding kunnen geven tot betwistingen met de administratie. Verschillende opeenvolgende wijzigingen hebben de wetgeving bovendien nog complexer gemaakt.

Enkele jaren geleden bleken meerdere investeerders de dupe te worden van hun investeringen in producties van (het inmiddels failliet gegane) Corsan.

De fiscus was maar bereid tot zeer beperkte toegevingen om de gedupeerden niet extra op te zadelen met een fiscale afstraffing. Meerdere gedupeerden hebben dit standpunt dan ook aangevochten.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft zich recent uitgesproken over het belastbaar tijdperk waarin de administratie de voorheen vrijgestelde winst moet belasten.

Artikel 194ter, §4, in fine WIB 1992 (in de versie zoals van toepassing op het geschil) bepaalt:

Ingeval een of andere van deze voorwaarden gedurende enig belastbaar tijdperk niet langer wordt nageleefd of ontbreekt, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van dat belastbare tijdperk. Ingeval de onder 7° en 7°bis vermelde attesten niet binnen vier jaar na het sluiten van de raamovereenkomst voor de productie van een in aanmerking komend werk worden verkregen door de vennootschap die aanspraak maakt op de vrijstelling, wordt de voorheen vrijgestelde winst aangemerkt als winst van het belastbare tijdperk tijdens hetwelk de termijn van vier jaar verstrijkt.

Eén van de discussiepunten voor de betrokken belastingplichtige betrof de vraag of de fiscus de voorheen vrijgestelde wist kan belasten in een later jaar indien de fiscus zelf opwerpt dat één van de wettelijke voorwaarden voor het verlenen of het behouden van de vrijstelling al in een eerder jaar niet werd vervuld.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen koos de kant van de belastingplichtige en vernietigde de betwiste aanslag.

Aangezien de administratie zelf had aangevoerd dat de investeerder in toepassing van artikel 194ter, §4, 6° WIB 1992 een afschrift van de raamovereenkomst had moeten toevoegen aan de aangifte voor het belastbaar tijdperk waarin hij aanspraak had gemaakt op de vrijstelling (in casu aanslagjaar 2013), oordeelde de rechtbank dat de administratie de voorheen vrijgestelde winst had moeten opnemen in de belastbare basis voor aanslagjaar 2013.

De rechtbank neemt hierbij aan dat de wetgever niet de bedoeling kan gehad hebben om dezelfde voorheen vrijgestelde winst twee maal te belasten zodat er geen “secundaire” belastbaarheid mogelijk is in een later aanslagjaar, zoals de administratie argumenteerde.

Hoewel artikel 194ter, §4, in fine WIB 1992 twee aanknopingspunten voorziet om het belastbaar tijdperk te bepalen waarin de voorheen vrijgestelde winst belastbaar wordt, oordeelde de rechter terecht dat de vrijgestelde winst die als winst moet worden aangemerkt van een voorgaand tijdperk op basis van de eerste vermelde mogelijkheid niet een tweede maal kan toegevoegd worden aan de belastbare basis van een later aanslagjaar op basis van de tweede vermelde mogelijkheid.

Ook de administratie dient zich dus te houden aan de spelregels en kan het tijdstip van belastbaarheid niet kiezen zoals het haar goed uitkomt.

Deze uitspraak kan de pil voor de betrokken belastingplichtige alvast iets verzachten.

Sherpa Law staat alvast paraat om u te begeleiden bij alle vragen omtrent huidige of oudere tax shelter issues. Vragen? Contacteer Kim Roelants of Alain Claes

UBO-register: langverwachte aangepaste FAQ gepubliceerd

In onze voorgaande nieuwsbrieven van d.d. 4 juli 2018, 27 september 2018, 11 januari 2019 en 13 februari 2019 verwezen we uitgebreid naar de komst, werking, uitvoeringsmodaliteiten en onduidelijkheden van het UBO-register.

Zoals aangekondigd heeft de FOD Financiën de langverwachte aangepaste FAQ gepubliceerd die voor bijkomende verduidelijking zorgt voor wat betreft de volgende punten:

  • Wat betreft het identificeren van UBO’s voor vennootschappen:

    • Het toereikend percentage van 25% dient gelezen te worden als “meer dan 25%”. Een natuurlijk persoon kan als UBO worden geïdentificeerd indien hij/zij 25,01% van de stemrechten of van het eigendomsbelang in het kapitaal van de respectievelijke vennootschap aanhoudt.

      De drempel van 25% is echter geen harde ondergrens, het is louter een indicatie. Met andere woorden, het wil niet zeggen dat wanneer een natuurlijk persoon slechts 23,75% of 18% van de stemrechten in een vennootschap bezit, hij automatisch ontsnapt aan de UBO-procedure. Of een persoon al dan niet als UBO aangemerkt wordt case-by-case beoordeeld. Voor uitgebreide voorbeelden verwijzen wij naar de FAQ.

    • Voor vennootschappen dient tevens de cascadetest te worden toegepast. Indien de natuurlijk persoon waarop de test wordt toegepast niet over een rechtstreeks of onrechtstreeks toereikend percentage van de stemrechten of het eigendomsbelang in de vennootschap beschikt (cfr. 1e categorie UBO’s voor vennootschappen), dan dient de informatieplichtige te analyseren of deze persoon zeggenschap heeft over deze vennootschap via andere middelen (cfr. 2e categorie van UBO’s voor vennootschappen). Het feit dat een UBO wordt geïdentificeerd als behoren tot de 1e of 2e categorie heeft geen enkele invloed op de toepassing van de cascadetest op elke andere persoon die mogelijks tot één van deze categorieën behoort. De informatieplichtige zal enkel de derde categorie kunnen kiezen als geen enkele UBO die tot één van de eerste twee categorieën behoort, kan worden geïdentificeerd.

    • Voorts wordt ook het begrip ‘leidinggevend personeel’ omschreven als personen werkzaam in een vennootschap die in de praktijk de meest beslissende invloed uitoefenen op het beheer van de vennootschap. Het kan o.a. gaan om de CEO, de voorzitter van het directiecomité of bij afwezigheid daarvan de bestuurder, de zaakvoerder, de afgevaardigde van het dagelijks bestuur, een lid van de directieraad… Deze opsomming is niet-exhaustief.

  • Wat betreft de UBO’s voor vzw’s, stichtingen, trusts, fiducieën of een gelijkaardige juridische constructie:

    • Aangezien in het Belgisch recht de trust geen juridisch gekende entiteit is, kan het luik ‘trusts’ alleen buitenlandse trusts bevatten.

      Het luik ‘fiducieën’ wordt tot op heden nog niet nader ingevuld en is als dusdanig dan ook uitsluitend van toepassing op buitenlandse fiducieën.

    • Een entiteit van deze tweede categorie kan optreden als intermediaire entiteit en meer dan 25% van een vennootschap bezitten of er zeggenschap over uitoefenen. In dat geval zullen alle personen die werden geïdentificeerd als UBO van de intermediaire entiteit, worden aangemerkt als UBO van de vennootschap.

  • Zoals omschreven in onze nieuwsbrief d.d. 11 januari 2019 zullen de blote eigenaar en de vruchtgebruiker verplicht geregistreerd moeten worden als UBO indien het toereikend percentage van 25% overschreven is. De FAQ vult aan dat zowel de vruchtgebruiker als de blote eigenaar geregistreerd worden als UBO categorie 1 (cfr. vennootschappen – bezit van toereikend percentage van de stemrechten). In het veld “Opmerkingen” dient alsnog verduidelijkt te worden dat het gaat om de vruchtgebruiker of blote eigenaar van effecten.

    In geval van een onverdeeldheid die aanleiding geeft tot een gezamenlijke controle van meer dan 25%, worden alle personen (vruchtgebruiker als blote eigenaar samen) in de onverdeeldheid als UBO geregistreerd. Eveneens dient in het veld “Opmerkingen” vermeld te worden dan het in casu om een onverdeeldheid gaat.

  • · Voorts bespreekt de FAQ voor het eerst de procedure voor mandaten:

    • Een wettelijke vertegenwoordiger kan via twee wegen aan een derde persoon een mandaat geven om in zijn plaats het UBO-register in- en aan te vullen: 1) Intern mandaat (‘Role Management Administration’ systeem: de wettelijke vertegenwoordiger van een informatieplichtige verleent de rol aan één van de werknemers van de betrokken informatieplichtige, 2) extern mandaat: de wettelijke vertegenwoordiger verleent aan een externe derde (o.a. boekhouder, adviseur…) om de informatie in zijn naam in te vullen.

      Om het beheer van mandaten te vergemakkelijken, kunnen deze verleend worden zonder fysieke verplaatsing van de cliënt noch zijn mandataris.

    • Een buitenlandse wettelijke vertegenwoordiger daarentegen dient een aanvraag in voor het verkrijgen van een elektronische vreemdelingenkaart met een geactiveerd authentificatiecertificaat of een vreemdelingentoken bij één van de bevoegde bureaus in deze materie.

  • Ten slotte worden enkel belangrijke elementen verduidelijkt:

    • De informatie over de UBO’s die is opgenomen in het UBO-register moet toereikend, accuraat en actueel zijn. Elke wijziging van informatie, die al opgenomen is in het register, moet binnen de maand worden meegedeeld. Deze termijn van één maand is overigens ook van toepassing op nieuw opgerichte entiteiten.

      De UBO’s bevestigen jaarlijks vanaf de laatste registratie of de informatie nog correct is en werken bij indien dit nodig is.

    • o Het UBO-register kan worden geraadpleegd door elke burger in het geval de UBO een vennootschap is. Deze toegang is echter beperkt tot bepaalde informatie en is betalend.

    • Elk persoon die een legitiem belang aantoont in het geval de UBO een VZW, stichting, trust, fiducie of gelijkaardige juridische constructie is. Deze toegang is eveneens beperkt en tegen betaling.

      In het geval van een vennootschap waarbij de tussenliggende entiteit een VZW, stichting, trust, fiducie of gelijkaardige juridische constructie is, zal de UBO van deze laatste entiteit slechts zichtbaar zijn voor personen die een legitiem belang aantonen.

    • Een UBO heeft tevens de mogelijkheid om kennis te nemen van alle overheden, instellingen en personen die gedurende de laatste zes maanden zijn/haar gegevens heeft geraadpleegd en bijgewerkt, met uitzondering van de gegevens van de bestuurlijke en gerechtelijke overheden belast met opsporing en bestraffing van misdrijven. De UBO richt haar vraag om kennis te nemen aan de Administrateur-Generaal van de Algemene Administratie van Thesaurie.

      De raadpleging van de gegevens in het register word geregistreerd en bewaard voor een periode van 10 jaar.

    • De Algemene Administratie van Thesaurie kan tevens op verzoek van een UBO of zijn lasthebber, de informatie die hem/haar betreft, volledig of gedeeltelijk verbergen.

      Merk wel op dat de mogelijkheid een afwijking aan te vragen om informatie te laten verschijnen in het UBO-register heeft enkel betrekking op de zichtbaarheid van de geregistreerde informatie en in geen geval op de verplichting deze informatie te laten registreren.

      De aanvraag dient verplicht vergezeld te zijn van een document of een stuk dat aantoont dat toegang tot deze informatie bv. een onevenredig risico zou teweeg brengen, een risico op fraude, ontvoering, pesterijen… Indien een UBO minderjarig of handelingsonbekwaam is, kan deze afwijking automatisch worden toegestaan bij de registratie van de gegevens.

Conclusie

Voor maatschappen en stichtingen is echter geen reden tot ongerustheid aangezien zij nog steeds valabele instrumenten zijn voor een doorgedreven vermogensplanning. Het dient bovendien benadrukt te worden dat louter het bestaan van een maatschap of stichting kenbaar wordt gemaakt, niet de inhoud of het vermogen ervan.

De mogelijkheden om discretie te behouden zijn o.a.: onder de drempel blijven van 25 % (niet sluitend), een minderjarige UBO, het verplicht moeten aantonen van legitiem belang…

Verdere wijzigingen en ontwikkelingen binnen het UBO gebeuren wordt door ons team uiteraard op de voet gevolgd. Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met Julie Raymaekers, Peter Meeuwssen, Robby Ackermans, Dirk De Groot en Alain Claes.

Witte rook voor Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen

Op 28 februari 2019 heeft de Kamer het langverwachte Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (afgekort WVV) dan toch goedgekeurd. Vanaf 1 mei 2019 heeft ons land bijgevolg een nieuw vennootschapsrecht.

Het huidige Wetboek van Vennootschappen - dat reeds van 7 mei 1999 dateert – is niet langer aangepast aan de hedendaagse behoeften van het bedrijfsleven. Met het WVV tracht de wetgever België opnieuw aantrekkelijker en competitiever te maken als vestigingsland voor binnen- en buitenlandse ondernemingen en maakt men het vennootschapsrecht eenvoudiger en meer flexibel.

Een greep uit de nieuwigheden:

  • De beperking van het aantal vennootschapsvormen tot 4 (in hoofdzaak): maatschap, CV, BV en NV;

  • De afschaffing van het kapitaalvereiste in de BV;

  • Invoering van een verscherpt financieel plan waaruit blijkt dat de vennootschap bij oprichting over een ‘toereikend aanvangskapitaal’ beschikt;

  • Nieuwe regels bij uitkeringen (netto-actieftoets én liquiditeitstoets);

  • De invoering van aandelen met meervoudig stemrecht: zo zou u 90 procent van de aandelen in uw bedrijf kunnen schenken aan de kinderen, zelf 10 procent behouden en toch de meerderheid van de stemmen behouden (bij beursgenoteerde vennootschappen kan maximaal een dubbel stemrecht gelden);

  • De beperking van de bestuurdersaansprakelijkheid afhankelijk van de grootte en de omvang van de vennootschap (beperking van 125.000 EUR tot 12.000.000 EUR): op de valreep werd deze regeling nog aangepast. De grens komt er alleen voor “toevallige lichte fouten” en niet voor herhaalde lichte fouten of een zware fout.

  • De mogelijkheid om uit te treden uit de BV lastens het vennootschapsvermogen (zoals nu reeds bij CVBA bestaat);

  • De mogelijkheid om een ontslag van een bestuurder in een NV te koppelen aan een opzeggingstermijn of ‘vertrekvergoeding’;

  • Een bestuurder met een belangenconflict mag niet langer deelnemen aan de stemming;

  • De implementering van het verenigingsrecht, naast het vennootschapsrecht, in het nieuwe wetboek;

Het WVV treedt in werking op 1 mei 2019. Voor reeds bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen worden de nieuwe regels van kracht op 1 januari 2020, met de mogelijkheid om al voordien voor een “opt-in” te kiezen. Alle vennootschappen, verenigingen en stichtingen dienen hun statuten aan te passen op het ogenblik van een eerste statutenwijziging na 1 januari 2020, doch in elk geval uiterlijk tegen 1 januari 2024.

Sherpa Law staat alvast paraat om u te begeleiden bij deze nieuwe uitdaging. Vragen? Contacteer Tom Vanraes, Partner Corporate & Commercial (tom.vanraes@sherpalaw.be).

Europese Commissie stelt nieuwe lijst vast van derde landen met zwakke regelgeving ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering

De Commissie heeft op 13 februari 2019 haar nieuwe lijst vastgesteld van 23 derde landen met strategische tekortkomingen in hun regelgevingskader ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering.

Deze lijst heeft als doel het financiële stelsel van de EU te beschermen door de risico's van witwassen en terrorismefinanciering beter te voorkomen. Als gevolg van de lijst moeten banken en andere aan de antiwitwasregels van de EU onderworpen entiteiten extra controles (cliëntenonderzoek) uitvoeren bij transacties waarbij cliënten en financiële instellingen uit die landen met een hoog risico betrokken zijn, om verdachte geldstromen beter te identificeren. Volgens een nieuwe methode die de strengere criteria weerspiegelt van de vijfde antiwitwasrichtlijn, die sinds juli 2018 van kracht is, is de lijst na een diepgaande analyse opgesteld.

De lijst is opgesteld op basis van een analyse van 54 rechtsgebieden met prioriteit, die door de Commissie in overleg met de lidstaten is voorbereid en op 13 november 2018 is bekendgemaakt. De beoordeelde landen voldoen aan ten minste één van de volgende criteria:

  • zij hebben systemische gevolgen voor de integriteit van het financiële stelsel van de EU;

  • zij worden door het Internationaal Monetair Fonds beoordeeld als internationale offshore financiële centra;

  • zij hebben economische relevantie voor en nauwe economische banden met de EU.

Voor elk land heeft de Commissie het bestaande bedreigingsniveau, het juridische kader en de controles ter voorkoming van de risico's van witwassen en terrorismefinanciering, alsmede de doeltreffende uitvoering daarvan beoordeeld. De Commissie heeft ook rekening gehouden met de werkzaamheden van de Financial Action Task Force (FATF), de internationale normsteller op dit gebied.

De Commissie concludeerde dat 23 landen strategische tekortkomingen hebben in hun regelgevingskader ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. Hierbij gaat het om 12 door de FATF op de lijst geplaatste landen en 11 andere rechtsgebieden. Sommige vandaag op de lijst geplaatste landen stonden al op de vorige EU-lijst, die 16 landen omvatte.

De volgende 12 landen stonden al op de lijst van de FATF (Openbare Verklaring FATF d.d. 19 oktober 2018) (Servië staat ook nog op de lijst van de FATF, maar werd niet op de EU-lijst opgenomen):

  • Democractische Volksrepubliek Korea

  • Iran

  • Bahama’s 

  • Botswana

  • Ethiopië

  • Ghana

  • Pakistan

  • Sri Lanka

  • Syrië

  • Trinidad en Tobago

  • Tunesië

  • Yemen

De EU voegt er de volgende 11 landen aan toe:

  • Afghanistan

  • Amerikaans Samoa 

  • Guam

  • Irak

  • Libië

  • Nigeria

  • Panama

  • Puerto Rico

  • Samoa

  • Saudi-Arabië

  • Amerikaanse Maagdeneilanden

Volgende stappen

De Commissie heeft de lijst vastgesteld in de vorm van een gedelegeerde verordening. Deze zal nu binnen één maand ter goedkeuring aan het Europees Parlement en de Raad worden voorgelegd (kan een maand worden uitgesteld). Zodra de gedelegeerde verordening is goedgekeurd, zal zij in het Publicatieblad worden bekendgemaakt en 20 dagen na de bekendmaking ervan in werking treden.

Bij de bepaling van het risicoprofiel van cliënten zullen de onderworpen entiteiten dus ook moeten rekening houden met deze Europese lijst.

Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met Alain Claes.


UBO-register: deadline uitgesteld

In onze voorgaande nieuwsbrieven van d.d. 4 juli (het ubo-register komt er snel aan), 27 september 2018 (nieuwsflash FOD financiën publiceert faq omtrent registratie ubo-register : even adempauze) en 11 januari 2019 (ubo-register : update inzake gesplitste eigendom), verwezen we uitgebreid naar de komst, werking en uitvoeringsmodaliteiten van het UBO-register.

Op heden blijkt echter dat er nog vele vragen en onduidelijkheden zijn omtrent de concrete toepassing en werden er nog vele moeilijkheden vastgesteld bij het invullen van de gegevens via het online MyMinFin-portaal.

Gezien de nakende deadline van 31 maart 2019 heeft de Minister van Financiën Alexander De Croo op 12 februari jl. gemeld dat de termijn voor het registreren van gegevens van uiteindelijke begunstigden in het UBO-register wordt verlengd tot 30 september 2019. Dit uitstel is van toepassing op alle partijen, zowel voor de bestuurders die hun verplichting zelf willen vervullen, als voor de externe mandatarissen die hen daarbij bijstaan.

Op deze manier heeft iedere belanghebbende extra tijd om deze verplichte registratie in alle sereniteit voor te bereiden.

Normaliter is voor eind februari een nieuwe circulaire op komst die het uitstel zal bevestigen. Ook wordt verwacht dat FOD Financiën in de nabije toekomst een nieuwe FAQ met bijkomende verduidelijking zal publiceren.

Verdere wijzigingen en ontwikkelingen binnen het UBO gebeuren wordt door ons team uiteraard op de voet gevolgd. Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met Julie Raymaekers, Peter Meeuwssen, Robby Ackermans en Alain Claes.

U heeft schulden en besluit de nalatenschap van uw moeder te verwerpen… maar daar komt Paulius

Inleiding

Het erfrecht bepaalt dat sommige erfgenamen een reservataire aanspraak hebben. Dit betekent dat deze erfgenamen recht hebben op een bepaald minimum erfdeel van de fictieve massa (het wedersamengestelde vermogen van de erflater). Het beschikbaar deel (dit is dan het correlatieve deel van de fictieve massa waarover de erflater vrij mag beschikken) van de erflater bedraagt sinds de nieuwe erfwet 50% van deze fictieve massa. Voor zover en in de mate dat dit beschikbaar deel overschreden wordt door giften, en dus de reserve wordt aangetast, kunnen de reservataire erfgenamen de inkorting vragen. Via de inkorting keren de giften, in de mate dat het beschikbaar deel overschreden werd, terug naar de nalatenschap, in waarde of in natura. Op deze manier worden de reservataire erfgenamen in hun rechten hersteld.

Artikel 921 Burgerlijk Wetboek stelt dat enkel de reservataire erfgenamen zelf deze inkorting kunnen vragen. Zij beslissen, in beginsel, persoonlijk en ieder voor zich of zij deze vordering al dan niet instellen.

Op basis van een arrest van het hof van beroep van Brussel van 12 april 2018 moet deze laatste stelling echter genuanceerd worden.

De feiten

In casu betrof het een belastingplichtige met een grote openstaande belastingschuld. De fiscus kon deze schulden niet invorderen aangezien de belastingplichtige insolvabel was. Tegen de belastingplichtige waren al jarenlang fiscale invorderingsprocedures lopende die zonder resultaat bleven voor de belastingdienst. Aan de belastingplichtige werd nog een bevel tot betalen betekend kort voor de dood van zijn moeder.

Op een gegeven moment overlijdt de moeder van de belastingplichtige nadat ze haar kleinkinderen, de kinderen van de belastingplichtige, had aangesteld als algemeen legataris. Deze begiftiging overschreed ruimschoots het beschikbare deel en tastte daarmee de reserve van de belastingplichtige (de zoon) aan.

De belastingplichtige verwierp de nalatenschap van zijn moeder en kon derhalve de inkorting niet meer inroepen. Bijgevolg konden zijn kinderen de gehele nalatenschap van zijn moeder behouden, zo dacht hij tenminste.

Het Hof van beroep

De fiscus liet het hier echter niet bij en eiste de niet- tegenstelbaarheid van de verwerping van de nalatenschap door de zoon-belastingplichtige, op basis van de artikelen 1167 en 788 Burgerlijk Wetboek, en vervolgens de inkorting in naam van de zoon-belastingplichtige op basis van artikel 1166 Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1167 Burgerlijk Wetboek regelt de Pauliaanse vordering. Een Pauliaanse vordering heeft tot doel de schade te vergoeden die de bedrieglijke verarming van de schuldenaar aan de schuldeiser berokkent. Artikel 788 Burgerlijk Wetboek is een specifieke toepassing van deze rechtsfiguur. De schuldeiser kan zich laten machtigen om de nalatenschap te aanvaarden uit hoofde van zijn schuldenaar die de nalatenschap verworpen heeft. Het Hof van Cassatie vereist wel het bewijs van de schuldeiser dat de verwerping abnormaal was en dat de schuldenaar wist dat de schuldeiser, door zijn verwerping, zou worden benadeeld. De schuldenaar kan dus desgevallend het bewijs leveren dat de verwerping van de nalatenschap niet tot doel had de schuldeiser te benadelen. In casu oordeelt het hof van beroep van Brussel dat dit bewijs niet geleverd wordt. Het hof oordeelt, dat het verwerpen van de nalatenschap gebeurde met als enige doel het benadelen van de schuldeiser. De belastingplichtige wist immers dat de fiscus al jaren de achterstallige belastingen probeerde in te vorderen. Hij was zelfs nog kort voor het overlijden met een bevel tot betalen geconfronteerd. De belastingplichtige levert verder geen enkel bewijs dat de verwerping een andere reden zou hebben.

Aangezien het hof van beroep de Pauliaanse vordering gegrond verklaart, wordt de belastingplichtige in zijn hoedanigheid van reservataire erfgenaam hersteld. De fiscus kan daarom vervolgens wel degelijk de inkorting vorderen, met toepassing van artikel 1166 Burgerlijk Wetboek. Dit artikel, de zogenaamde zijdelingse vordering, laat een schuldeiser immers toe om de rechten en vorderingen van zijn schuldenaar uit te oefenen. Deze wettelijke bepaling vindt haar grondslag in het feit dat een schuldenaar die in slechte papieren zit, weinig belang ziet in het correct invorderen van schuldvorderingen en allerhande tegoeden. De opbrengsten zouden immers toch naar zijn eigen schuldeisers gaan. Via de zijdelingse vordering kunnen alle rechten of vorderingen van de schuldenaar uitgeoefend worden door zijn schuldeiser, uitgezonderd diegene die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn.

Het Hof herleidt de giften aan de kinderen van de belastingplichtige dus tot het beschikbaar deel : het bedrag dat moet ingekort worden, moeten de kinderen betalen aan de schuldeiser van hun vader, de fiscus.

Deze uitspraak hoeft niet te verbazen. In het verleden oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt al dat de fiscus zich kan beroepen op artikel 788 Burgerlijk Wetboek om een nalatenschap te aanvaarden die eerder door de belastingplichtige werd verworpen (Rb. Hasselt 27 februari 1995, Fisc.Koer. 1995,290). De rechtbank van eerste aanleg te Bergen oordeelde dan weer dat de schuldeisers van een reservataire erfgenaam een zijdelingse vordering kunnen in­stellen in geval de reservataire erfgenamen zelf dat niet doen (Rb. Bergen 6 september 2000, Rev.not.b. 2001, 57).

Het is dus in beginsel niet mogelijk de fiscus of andere schuldeisers te benadelen door een nalatenschap te verwerpen. Belangrijk is wel dat de Pauliaanse vordering enkel ingeroepen kan worden indien het gaat om een bedrieglijke verarming. Het komt er dus op aan aan te tonen dat de verwerping legitieme doelstellingen nastreeft, zoals een erfenissprong. In dit opzicht is het aangewezen ruim op voorhand te verduidelijken en te documenteren om welke redenen de verwerping gebeurt, waarbij de hulp aan de eigen kinderen natuurlijk een belangrijk en legitiem element kan uitmaken. Op deze manier zal het bewijs van een bedrieglijke verarming door de fiscus moeilijker te leveren zijn, aangezien de verwerping om anderen redenen is gedaan dan benadeling van de schuldeiser. Dit arrest toont daarom eens te meer het belang van een (goede) planning aan.

Auteurs: Fréderic Stynen & Dirk De Groot

Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met Peter Meeuwssen of Robby Ackermans

Sherpa Law's Tax Litigation practice has been again listed in the Who's Who Legal guide for tax controversy work.

Sherpa Law's Alain Claes is again listed as leading tax controversy lawyer in the 2018 edition of Who's Who Legal : Corporate Tax - Tax Controversy.

This year’s edition of Who’s Who Legal: Corporate Tax - Controversy - Lawyer identified 375 outstanding Tax Controversy Lawyers spread across 58 jurisdictions. The lawyers in this guide are selected for their impressive work over recent months handling complex cases for domestic and international clients across a broad range of industries.

View the full list of recommended practitioners

UBO-register - Update inzake gesplitste eigendom

2018 was op juridisch vlak een jaar vol fundamentele veranderingen. Eén van die vernieuwingen was het Belgisch UBO-register. In onze nieuwsbrieven d.d. 4 juli en 27 september 2018 verwezen we reeds uitgebreid naar de komst, de werking en de mogelijke implicaties van het UBO-register. Echter, tot op heden rezen er nog veel onzekerheden over de uitvoeringsmodaliteiten.

Eén van deze onzekerheden had betrekking op de vraag wie als UBO geregistreerd dient te worden wanneer er sprake is van een gesplitste eigendom (in blote eigendom – vruchtgebruik) van een aandeel of deelbewijs. Het is namelijk zo dat op basis van het KB van 31 oktober 2018 en de verklarende toelichting voor vennootschapen en maatschappen (categorie 1) als UBO wordt aangemerkt: iedere natuurlijke persoon die rechtstreeks of onrechtstreeks 25% van de stemrechten of eigendomsrechten in de respectievelijke vennootschap/maatschap aanhoudt. Echter, bij een gesplitste eigendom is het zo dat het stemrecht enerzijds wordt toegewezen aan de vruchtgebruiker zodat deze alleszins kan kwalificeren als UBO op basis van een toereikend percentage stemrechten. Anderzijds heeft de blote eigenaar geen stemrecht, doch vertegenwoordigt de deelneming van de blote eigenaar zeker een percentage in het kapitaal van de vennootschap/maatschap, wat zou kunnen duiden op eigendomsbelang. Op 3 oktober 2018 werd de Minister van Financiën verzocht duidelijkheid te scheppen omtrent deze situatie.

De juridische dienst bij de Algemene Administratie van Thesaurie heeft nu bevestigd dat wanneer de eigendom van de stemrechten of aandelen van het kapitaal bezwaard is met zakenrechten tussen de blote eigenaar en de vruchtgebruiker, en het toereikend percentage van 25% overschreden is, zowel de blote eigenaar als de vruchtgebruiker geregistreerd moeten worden als UBO. Indien aldus sprake is van een bezit of van controle van meer dan 25% van het kapitaal of van de stemrechten van de informatieplichtige, zal ofwel de blote eigenaar ofwel de vruchtgebruiker ofwel beiden geregistreerd moeten worden. De hoedanigheid van vruchtgebruiker of blote eigenaar moet worden gepreciseerd in het voorziene veld “opmerkingen”.

Normaliter zal FOD Financiën in de nabije toekomst een nieuwe FAQ hieromtrent publiceren. Verdere wijzigingen en ontwikkelingen binnen het UBO gebeuren wordt door ons team uiteraard op de voet gevolgd. Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met peter.meeuwssen@sherpalaw.be, robby.ackermans@sherpalaw.be of alain.claes@sherpalaw.be.

Julie Raymaekers

Peter Meeuwssen

Robby Ackermans

Verklaring van behoud (na hervorming erfrecht)

Op 1 september 2018 is het hervormde Erfrecht in België in werking getreden. De nieuwe wetgeving geeft onder meer de erflater meer vrijheid om zijn erfenis te regelen, maar wijzigt ook de manier waarop bij overlijden schenkingen in rekening gebracht worden, met name de regels betreffende inbreng en inkorting. Het is op dit vlak dat een verklaring van behoud uitwerking kan hebben.

Regels van inbreng en inkorting

Een schenking kan op twee manieren gebeuren, afhankelijk van de intentie van de schenker:

  • Een schenking als voorschot op erfdeel bewaart in principe de gelijkheid tussen de erfgenamen. Bij overlijden van de schenker zal de begiftigde-erfgenaam de schenking moeten inbrengen in de nalatenschap, zodanig dat (de waarde van) deze goederen, samen met de nog aanwezige goederen in de nalatenschap worden herverdeeld over alle erfgenamen en de gelijkheid tussen de erfgenamen op deze manier bewaard wordt.

  • Door middel van een schenking buiten erfdeel beoogt de schenker de begiftigde iets extra te geven. Schenkingen buiten erfdeel moeten niet worden ingebracht, maar moeten worden aangerekend op het beschikbaar deel (i.e. het deel van het vermogen waarover de erflater vrij kan beschikken, zonder dat de reservataire erfgenamen hierop aanspraak kunnen maken). Wanneer het beschikbaar deel toch wordt overschreden door een schenking, kunnen de reservataire erfgenamen een vordering tot inkorting instellen.

De oude regels omtrent inbreng en inkorting waren geenszins samenhangend; ze verschilden naargelang het ging om roerende of onroerende goederen, alsook naargelang het ging om inbreng of inkorting.

Nieuwe regels

In het nieuwe Erfrecht is er geen verschil meer tussen de waardering van schenkingen van een roerend en onroerend goed. De waardering gebeurt uniform op het ogenblik van de schenking (althans indien de begiftigde op dat ogenblik de volle beschikking over het geschonken goed heeft gekregen) en deze respectievelijke waarde zal worden geïndexeerd (op basis van de index van consumptieprijzen) tot het overlijden van de schenker. De inbreng en de inkorting gebeuren onder het nieuwe erfrecht in de regel ook uitsluitend in waarde.

Deze nieuwe erfregels zijn van toepassing op alle nalatenschappen die opengevallen zijn of openvallen vanaf 1 september 2018, met andere woorden ook voor schenkingen gedaan vóór 1 september 2018. De nieuwe regels kunnen dus onverwachte gevolgen hebben voor uw successieplanning.

Om die reden heeft de wetgever voorzien dat iedere schenker individueel een verklaring van behoud kan afleggen voor de (Belgische) notaris. Via deze verklaring kan de schenker opteren om de oude regels inzake de waardering van schenkingen en de wijze van inbreng of inkorting toe te passen op schenkingen verricht vóór 1 september 2018.

Voorbeeld 1

Een moeder met twee kinderen wenst aan successieplanning te doen. Het oudste kind is 21 jaar, maar het jongste is nog minderjarig. De moeder wenst haar buitenverblijf aan de Belgische kust te schenken aan beide kinderen. Gezien de minderjarigheid van het jongste kind besluit de moeder om de schenking van het appartement enkel aan de oudste te doen, maar wel op voorschot van erfdeel, zodat de kinderen gelijk behandeld worden en de jongste zijn deel van het appartement krijgt bij overlijden van de moeder.

Onder het oude Erfrecht gebeurde de inbreng van een onroerend goed volgens het basisprincipe (van artikel 859 B.W.) in natura, wanneer het geschonken goed niet vervreemd was en in de nalatenschap geen andere onroerende goederen van gelijke aard, waarde en deugdelijkheid aanwezig waren. Aldus zou het oudste kind bij overlijden van de moeder de helft van het appartement moeten afstaan aan zijn jongste broer. Het buitenverblijf keert dus terug naar de nalatenschap van de moeder en beide kinderen worden gelijk behandeld. Het opzet van de successieplanning is geslaagd.

Onder het nieuwe Erfrecht is de inbreng in natura afgeschaft en vervangen door een inbreng in waarde. Het oudste kind is slechts een vergoeding verschuldigd aan het jongste kind ten belope van de helft van de waarde van het appartement. Een verklaring van behoud zou in deze situatie aangewezen zijn om te voorkomen dat het jongste kind zich tevreden moet stellen met een loutere vordering in geld.

Voorbeeld 2

Een vader bezit een familiale onderneming en heeft twee kinderen, een zoon en een dochter. De zoon heeft altijd veel interesse getoond in de familiale onderneming en wil graag in de voetsporen treden van zijn vader. De vader schonk de blote eigendom van de aandelen van zijn bedrijf aan zijn zoon en dit onder het fiscale gunstregime van vrijstelling van schenkbelasting (cfr. 0%). Over de jaren heen is de waarde van de aandelen sterk toegenomen door de harde inzet van de zoon. Onder het oude erfrecht moest een dergelijke aandelenschenking afgerekend worden in de vaderlijke nalatenschap tegen de waarde die de aandelen hadden ten tijde van de schenking (artikel 922, lid 2, oud BW).

Volgens het nieuwe Erfrecht moeten deze aandelen echter verrekend worden op basis van de waarde op het ogenblik van overlijden, aangezien de zoon pas dan de volle beschikking krijgt over de geschonken aandelen. Deze nieuwe waarderingsregel leidt er dus toe dat de schenking van de aandelen moet worden verrekend met de zus tegen de waarde die de aandelen hebben op de overlijdensdatum van vader (die veel hoger is dan de waarde ten tijde van de schenking). In feite heeft de zoon dus jarenlang gewerkt in het bedrijf en zal zijn zus nu zo maar meegenieten van de vruchten van zijn arbeid.

Om dit onbedoelde effect tegen te gaan zou de vader een verklaring van behoud kunnen afleggen: hierdoor wordt de schenking in zijn nalatenschap afgerekend tegen de waarde van destijds. Doet hij dat niet, dan plukt de dochter de vruchten van de inzet van haar broer.

Alles of niets

Het is van belang te weten dat het afleggen van een verklaring van behoud een alles-of-niets-verhaal is. Indien men kiest dergelijke verklaring af te leggen heeft dit gevolg voor alle schenkingen gedaan voor 1 september 2018.

Termijn

De termijn om een verklaring van behoud af te leggen werd verlengd tot 1 september 2019. Uit recente publicaties blijkt dat nog net geen 1.000 verklaringen werden opgemaakt. In vergelijking met de 37.852 schenkingen die in 2017 geregistreerd werden, is dit aantal gering. De kans bestaat dat mensen zich niet voldoende bewust zijn van de mogelijkheid om voor de oude waarderingsmethode te kiezen door middel van een verklaring van behoud.

Indien u zich in het bovenstaande herkent en overweegt een verklaring van behoud af te leggen, wacht dan niet te lang. Wij kunnen u bijstaan bij het doorlichten van uw successieplanning en u correct adviseren of er al dan niet een verklaring van behoud moet worden afgelegd.

Julie Raymaekers

Peter Meeuwssen

Robby Ackermans

Nederlands
Français
English