Witte rook voor Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen

Op 28 februari 2019 heeft de Kamer het langverwachte Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (afgekort WVV) dan toch goedgekeurd. Vanaf 1 mei 2019 heeft ons land bijgevolg een nieuw vennootschapsrecht.

Het huidige Wetboek van Vennootschappen - dat reeds van 7 mei 1999 dateert – is niet langer aangepast aan de hedendaagse behoeften van het bedrijfsleven. Met het WVV tracht de wetgever België opnieuw aantrekkelijker en competitiever te maken als vestigingsland voor binnen- en buitenlandse ondernemingen en maakt men het vennootschapsrecht eenvoudiger en meer flexibel.

Een greep uit de nieuwigheden:

  • De beperking van het aantal vennootschapsvormen tot 4 (in hoofdzaak): maatschap, CV, BV en NV;

  • De afschaffing van het kapitaalvereiste in de BV;

  • Invoering van een verscherpt financieel plan waaruit blijkt dat de vennootschap bij oprichting over een ‘toereikend aanvangskapitaal’ beschikt;

  • Nieuwe regels bij uitkeringen (netto-actieftoets én liquiditeitstoets);

  • De invoering van aandelen met meervoudig stemrecht: zo zou u 90 procent van de aandelen in uw bedrijf kunnen schenken aan de kinderen, zelf 10 procent behouden en toch de meerderheid van de stemmen behouden (bij beursgenoteerde vennootschappen kan maximaal een dubbel stemrecht gelden);

  • De beperking van de bestuurdersaansprakelijkheid afhankelijk van de grootte en de omvang van de vennootschap (beperking van 125.000 EUR tot 12.000.000 EUR): op de valreep werd deze regeling nog aangepast. De grens komt er alleen voor “toevallige lichte fouten” en niet voor herhaalde lichte fouten of een zware fout.

  • De mogelijkheid om uit te treden uit de BV lastens het vennootschapsvermogen (zoals nu reeds bij CVBA bestaat);

  • De mogelijkheid om een ontslag van een bestuurder in een NV te koppelen aan een opzeggingstermijn of ‘vertrekvergoeding’;

  • Een bestuurder met een belangenconflict mag niet langer deelnemen aan de stemming;

  • De implementering van het verenigingsrecht, naast het vennootschapsrecht, in het nieuwe wetboek;

Het WVV treedt in werking op 1 mei 2019. Voor reeds bestaande vennootschappen, verenigingen en stichtingen worden de nieuwe regels van kracht op 1 januari 2020, met de mogelijkheid om al voordien voor een “opt-in” te kiezen. Alle vennootschappen, verenigingen en stichtingen dienen hun statuten aan te passen op het ogenblik van een eerste statutenwijziging na 1 januari 2020, doch in elk geval uiterlijk tegen 1 januari 2024.

Sherpa Law staat alvast paraat om u te begeleiden bij deze nieuwe uitdaging. Vragen? Contacteer Tom Vanraes, Partner Corporate & Commercial (tom.vanraes@sherpalaw.be).

Europese Commissie stelt nieuwe lijst vast van derde landen met zwakke regelgeving ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering

De Commissie heeft op 13 februari 2019 haar nieuwe lijst vastgesteld van 23 derde landen met strategische tekortkomingen in hun regelgevingskader ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering.

Deze lijst heeft als doel het financiële stelsel van de EU te beschermen door de risico's van witwassen en terrorismefinanciering beter te voorkomen. Als gevolg van de lijst moeten banken en andere aan de antiwitwasregels van de EU onderworpen entiteiten extra controles (cliëntenonderzoek) uitvoeren bij transacties waarbij cliënten en financiële instellingen uit die landen met een hoog risico betrokken zijn, om verdachte geldstromen beter te identificeren. Volgens een nieuwe methode die de strengere criteria weerspiegelt van de vijfde antiwitwasrichtlijn, die sinds juli 2018 van kracht is, is de lijst na een diepgaande analyse opgesteld.

De lijst is opgesteld op basis van een analyse van 54 rechtsgebieden met prioriteit, die door de Commissie in overleg met de lidstaten is voorbereid en op 13 november 2018 is bekendgemaakt. De beoordeelde landen voldoen aan ten minste één van de volgende criteria:

  • zij hebben systemische gevolgen voor de integriteit van het financiële stelsel van de EU;

  • zij worden door het Internationaal Monetair Fonds beoordeeld als internationale offshore financiële centra;

  • zij hebben economische relevantie voor en nauwe economische banden met de EU.

Voor elk land heeft de Commissie het bestaande bedreigingsniveau, het juridische kader en de controles ter voorkoming van de risico's van witwassen en terrorismefinanciering, alsmede de doeltreffende uitvoering daarvan beoordeeld. De Commissie heeft ook rekening gehouden met de werkzaamheden van de Financial Action Task Force (FATF), de internationale normsteller op dit gebied.

De Commissie concludeerde dat 23 landen strategische tekortkomingen hebben in hun regelgevingskader ter bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. Hierbij gaat het om 12 door de FATF op de lijst geplaatste landen en 11 andere rechtsgebieden. Sommige vandaag op de lijst geplaatste landen stonden al op de vorige EU-lijst, die 16 landen omvatte.

De volgende 12 landen stonden al op de lijst van de FATF (Openbare Verklaring FATF d.d. 19 oktober 2018) (Servië staat ook nog op de lijst van de FATF, maar werd niet op de EU-lijst opgenomen):

  • Democractische Volksrepubliek Korea

  • Iran

  • Bahama’s 

  • Botswana

  • Ethiopië

  • Ghana

  • Pakistan

  • Sri Lanka

  • Syrië

  • Trinidad en Tobago

  • Tunesië

  • Yemen

De EU voegt er de volgende 11 landen aan toe:

  • Afghanistan

  • Amerikaans Samoa 

  • Guam

  • Irak

  • Libië

  • Nigeria

  • Panama

  • Puerto Rico

  • Samoa

  • Saudi-Arabië

  • Amerikaanse Maagdeneilanden

Volgende stappen

De Commissie heeft de lijst vastgesteld in de vorm van een gedelegeerde verordening. Deze zal nu binnen één maand ter goedkeuring aan het Europees Parlement en de Raad worden voorgelegd (kan een maand worden uitgesteld). Zodra de gedelegeerde verordening is goedgekeurd, zal zij in het Publicatieblad worden bekendgemaakt en 20 dagen na de bekendmaking ervan in werking treden.

Bij de bepaling van het risicoprofiel van cliënten zullen de onderworpen entiteiten dus ook moeten rekening houden met deze Europese lijst.

Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met Alain Claes.


UBO-register: deadline uitgesteld

In onze voorgaande nieuwsbrieven van d.d. 4 juli (het ubo-register komt er snel aan), 27 september 2018 (nieuwsflash FOD financiën publiceert faq omtrent registratie ubo-register : even adempauze) en 11 januari 2019 (ubo-register : update inzake gesplitste eigendom), verwezen we uitgebreid naar de komst, werking en uitvoeringsmodaliteiten van het UBO-register.

Op heden blijkt echter dat er nog vele vragen en onduidelijkheden zijn omtrent de concrete toepassing en werden er nog vele moeilijkheden vastgesteld bij het invullen van de gegevens via het online MyMinFin-portaal.

Gezien de nakende deadline van 31 maart 2019 heeft de Minister van Financiën Alexander De Croo op 12 februari jl. gemeld dat de termijn voor het registreren van gegevens van uiteindelijke begunstigden in het UBO-register wordt verlengd tot 30 september 2019. Dit uitstel is van toepassing op alle partijen, zowel voor de bestuurders die hun verplichting zelf willen vervullen, als voor de externe mandatarissen die hen daarbij bijstaan.

Op deze manier heeft iedere belanghebbende extra tijd om deze verplichte registratie in alle sereniteit voor te bereiden.

Normaliter is voor eind februari een nieuwe circulaire op komst die het uitstel zal bevestigen. Ook wordt verwacht dat FOD Financiën in de nabije toekomst een nieuwe FAQ met bijkomende verduidelijking zal publiceren.

Verdere wijzigingen en ontwikkelingen binnen het UBO gebeuren wordt door ons team uiteraard op de voet gevolgd. Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met Julie Raymaekers, Peter Meeuwssen, Robby Ackermans en Alain Claes.

U heeft schulden en besluit de nalatenschap van uw moeder te verwerpen… maar daar komt Paulius

Inleiding

Het erfrecht bepaalt dat sommige erfgenamen een reservataire aanspraak hebben. Dit betekent dat deze erfgenamen recht hebben op een bepaald minimum erfdeel van de fictieve massa (het wedersamengestelde vermogen van de erflater). Het beschikbaar deel (dit is dan het correlatieve deel van de fictieve massa waarover de erflater vrij mag beschikken) van de erflater bedraagt sinds de nieuwe erfwet 50% van deze fictieve massa. Voor zover en in de mate dat dit beschikbaar deel overschreden wordt door giften, en dus de reserve wordt aangetast, kunnen de reservataire erfgenamen de inkorting vragen. Via de inkorting keren de giften, in de mate dat het beschikbaar deel overschreden werd, terug naar de nalatenschap, in waarde of in natura. Op deze manier worden de reservataire erfgenamen in hun rechten hersteld.

Artikel 921 Burgerlijk Wetboek stelt dat enkel de reservataire erfgenamen zelf deze inkorting kunnen vragen. Zij beslissen, in beginsel, persoonlijk en ieder voor zich of zij deze vordering al dan niet instellen.

Op basis van een arrest van het hof van beroep van Brussel van 12 april 2018 moet deze laatste stelling echter genuanceerd worden.

De feiten

In casu betrof het een belastingplichtige met een grote openstaande belastingschuld. De fiscus kon deze schulden niet invorderen aangezien de belastingplichtige insolvabel was. Tegen de belastingplichtige waren al jarenlang fiscale invorderingsprocedures lopende die zonder resultaat bleven voor de belastingdienst. Aan de belastingplichtige werd nog een bevel tot betalen betekend kort voor de dood van zijn moeder.

Op een gegeven moment overlijdt de moeder van de belastingplichtige nadat ze haar kleinkinderen, de kinderen van de belastingplichtige, had aangesteld als algemeen legataris. Deze begiftiging overschreed ruimschoots het beschikbare deel en tastte daarmee de reserve van de belastingplichtige (de zoon) aan.

De belastingplichtige verwierp de nalatenschap van zijn moeder en kon derhalve de inkorting niet meer inroepen. Bijgevolg konden zijn kinderen de gehele nalatenschap van zijn moeder behouden, zo dacht hij tenminste.

Het Hof van beroep

De fiscus liet het hier echter niet bij en eiste de niet- tegenstelbaarheid van de verwerping van de nalatenschap door de zoon-belastingplichtige, op basis van de artikelen 1167 en 788 Burgerlijk Wetboek, en vervolgens de inkorting in naam van de zoon-belastingplichtige op basis van artikel 1166 Burgerlijk Wetboek.

Artikel 1167 Burgerlijk Wetboek regelt de Pauliaanse vordering. Een Pauliaanse vordering heeft tot doel de schade te vergoeden die de bedrieglijke verarming van de schuldenaar aan de schuldeiser berokkent. Artikel 788 Burgerlijk Wetboek is een specifieke toepassing van deze rechtsfiguur. De schuldeiser kan zich laten machtigen om de nalatenschap te aanvaarden uit hoofde van zijn schuldenaar die de nalatenschap verworpen heeft. Het Hof van Cassatie vereist wel het bewijs van de schuldeiser dat de verwerping abnormaal was en dat de schuldenaar wist dat de schuldeiser, door zijn verwerping, zou worden benadeeld. De schuldenaar kan dus desgevallend het bewijs leveren dat de verwerping van de nalatenschap niet tot doel had de schuldeiser te benadelen. In casu oordeelt het hof van beroep van Brussel dat dit bewijs niet geleverd wordt. Het hof oordeelt, dat het verwerpen van de nalatenschap gebeurde met als enige doel het benadelen van de schuldeiser. De belastingplichtige wist immers dat de fiscus al jaren de achterstallige belastingen probeerde in te vorderen. Hij was zelfs nog kort voor het overlijden met een bevel tot betalen geconfronteerd. De belastingplichtige levert verder geen enkel bewijs dat de verwerping een andere reden zou hebben.

Aangezien het hof van beroep de Pauliaanse vordering gegrond verklaart, wordt de belastingplichtige in zijn hoedanigheid van reservataire erfgenaam hersteld. De fiscus kan daarom vervolgens wel degelijk de inkorting vorderen, met toepassing van artikel 1166 Burgerlijk Wetboek. Dit artikel, de zogenaamde zijdelingse vordering, laat een schuldeiser immers toe om de rechten en vorderingen van zijn schuldenaar uit te oefenen. Deze wettelijke bepaling vindt haar grondslag in het feit dat een schuldenaar die in slechte papieren zit, weinig belang ziet in het correct invorderen van schuldvorderingen en allerhande tegoeden. De opbrengsten zouden immers toch naar zijn eigen schuldeisers gaan. Via de zijdelingse vordering kunnen alle rechten of vorderingen van de schuldenaar uitgeoefend worden door zijn schuldeiser, uitgezonderd diegene die uitsluitend aan de persoon verbonden zijn.

Het Hof herleidt de giften aan de kinderen van de belastingplichtige dus tot het beschikbaar deel : het bedrag dat moet ingekort worden, moeten de kinderen betalen aan de schuldeiser van hun vader, de fiscus.

Deze uitspraak hoeft niet te verbazen. In het verleden oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt al dat de fiscus zich kan beroepen op artikel 788 Burgerlijk Wetboek om een nalatenschap te aanvaarden die eerder door de belastingplichtige werd verworpen (Rb. Hasselt 27 februari 1995, Fisc.Koer. 1995,290). De rechtbank van eerste aanleg te Bergen oordeelde dan weer dat de schuldeisers van een reservataire erfgenaam een zijdelingse vordering kunnen in­stellen in geval de reservataire erfgenamen zelf dat niet doen (Rb. Bergen 6 september 2000, Rev.not.b. 2001, 57).

Het is dus in beginsel niet mogelijk de fiscus of andere schuldeisers te benadelen door een nalatenschap te verwerpen. Belangrijk is wel dat de Pauliaanse vordering enkel ingeroepen kan worden indien het gaat om een bedrieglijke verarming. Het komt er dus op aan aan te tonen dat de verwerping legitieme doelstellingen nastreeft, zoals een erfenissprong. In dit opzicht is het aangewezen ruim op voorhand te verduidelijken en te documenteren om welke redenen de verwerping gebeurt, waarbij de hulp aan de eigen kinderen natuurlijk een belangrijk en legitiem element kan uitmaken. Op deze manier zal het bewijs van een bedrieglijke verarming door de fiscus moeilijker te leveren zijn, aangezien de verwerping om anderen redenen is gedaan dan benadeling van de schuldeiser. Dit arrest toont daarom eens te meer het belang van een (goede) planning aan.

Auteurs: Fréderic Stynen & Dirk De Groot

Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met Peter Meeuwssen of Robby Ackermans

Sherpa Law's Tax Litigation practice has been again listed in the Who's Who Legal guide for tax controversy work.

Sherpa Law's Alain Claes is again listed as leading tax controversy lawyer in the 2018 edition of Who's Who Legal : Corporate Tax - Tax Controversy.

This year’s edition of Who’s Who Legal: Corporate Tax - Controversy - Lawyer identified 375 outstanding Tax Controversy Lawyers spread across 58 jurisdictions. The lawyers in this guide are selected for their impressive work over recent months handling complex cases for domestic and international clients across a broad range of industries.

View the full list of recommended practitioners

UBO-register - Update inzake gesplitste eigendom

2018 was op juridisch vlak een jaar vol fundamentele veranderingen. Eén van die vernieuwingen was het Belgisch UBO-register. In onze nieuwsbrieven d.d. 4 juli en 27 september 2018 verwezen we reeds uitgebreid naar de komst, de werking en de mogelijke implicaties van het UBO-register. Echter, tot op heden rezen er nog veel onzekerheden over de uitvoeringsmodaliteiten.

Eén van deze onzekerheden had betrekking op de vraag wie als UBO geregistreerd dient te worden wanneer er sprake is van een gesplitste eigendom (in blote eigendom – vruchtgebruik) van een aandeel of deelbewijs. Het is namelijk zo dat op basis van het KB van 31 oktober 2018 en de verklarende toelichting voor vennootschapen en maatschappen (categorie 1) als UBO wordt aangemerkt: iedere natuurlijke persoon die rechtstreeks of onrechtstreeks 25% van de stemrechten of eigendomsrechten in de respectievelijke vennootschap/maatschap aanhoudt. Echter, bij een gesplitste eigendom is het zo dat het stemrecht enerzijds wordt toegewezen aan de vruchtgebruiker zodat deze alleszins kan kwalificeren als UBO op basis van een toereikend percentage stemrechten. Anderzijds heeft de blote eigenaar geen stemrecht, doch vertegenwoordigt de deelneming van de blote eigenaar zeker een percentage in het kapitaal van de vennootschap/maatschap, wat zou kunnen duiden op eigendomsbelang. Op 3 oktober 2018 werd de Minister van Financiën verzocht duidelijkheid te scheppen omtrent deze situatie.

De juridische dienst bij de Algemene Administratie van Thesaurie heeft nu bevestigd dat wanneer de eigendom van de stemrechten of aandelen van het kapitaal bezwaard is met zakenrechten tussen de blote eigenaar en de vruchtgebruiker, en het toereikend percentage van 25% overschreden is, zowel de blote eigenaar als de vruchtgebruiker geregistreerd moeten worden als UBO. Indien aldus sprake is van een bezit of van controle van meer dan 25% van het kapitaal of van de stemrechten van de informatieplichtige, zal ofwel de blote eigenaar ofwel de vruchtgebruiker ofwel beiden geregistreerd moeten worden. De hoedanigheid van vruchtgebruiker of blote eigenaar moet worden gepreciseerd in het voorziene veld “opmerkingen”.

Normaliter zal FOD Financiën in de nabije toekomst een nieuwe FAQ hieromtrent publiceren. Verdere wijzigingen en ontwikkelingen binnen het UBO gebeuren wordt door ons team uiteraard op de voet gevolgd. Voor eventuele vragen mag u gerust contact opnemen met peter.meeuwssen@sherpalaw.be, robby.ackermans@sherpalaw.be of alain.claes@sherpalaw.be.

Julie Raymaekers

Peter Meeuwssen

Robby Ackermans

Verklaring van behoud (na hervorming erfrecht)

Op 1 september 2018 is het hervormde Erfrecht in België in werking getreden. De nieuwe wetgeving geeft onder meer de erflater meer vrijheid om zijn erfenis te regelen, maar wijzigt ook de manier waarop bij overlijden schenkingen in rekening gebracht worden, met name de regels betreffende inbreng en inkorting. Het is op dit vlak dat een verklaring van behoud uitwerking kan hebben.

Regels van inbreng en inkorting

Een schenking kan op twee manieren gebeuren, afhankelijk van de intentie van de schenker:

  • Een schenking als voorschot op erfdeel bewaart in principe de gelijkheid tussen de erfgenamen. Bij overlijden van de schenker zal de begiftigde-erfgenaam de schenking moeten inbrengen in de nalatenschap, zodanig dat (de waarde van) deze goederen, samen met de nog aanwezige goederen in de nalatenschap worden herverdeeld over alle erfgenamen en de gelijkheid tussen de erfgenamen op deze manier bewaard wordt.

  • Door middel van een schenking buiten erfdeel beoogt de schenker de begiftigde iets extra te geven. Schenkingen buiten erfdeel moeten niet worden ingebracht, maar moeten worden aangerekend op het beschikbaar deel (i.e. het deel van het vermogen waarover de erflater vrij kan beschikken, zonder dat de reservataire erfgenamen hierop aanspraak kunnen maken). Wanneer het beschikbaar deel toch wordt overschreden door een schenking, kunnen de reservataire erfgenamen een vordering tot inkorting instellen.

De oude regels omtrent inbreng en inkorting waren geenszins samenhangend; ze verschilden naargelang het ging om roerende of onroerende goederen, alsook naargelang het ging om inbreng of inkorting.

Nieuwe regels

In het nieuwe Erfrecht is er geen verschil meer tussen de waardering van schenkingen van een roerend en onroerend goed. De waardering gebeurt uniform op het ogenblik van de schenking (althans indien de begiftigde op dat ogenblik de volle beschikking over het geschonken goed heeft gekregen) en deze respectievelijke waarde zal worden geïndexeerd (op basis van de index van consumptieprijzen) tot het overlijden van de schenker. De inbreng en de inkorting gebeuren onder het nieuwe erfrecht in de regel ook uitsluitend in waarde.

Deze nieuwe erfregels zijn van toepassing op alle nalatenschappen die opengevallen zijn of openvallen vanaf 1 september 2018, met andere woorden ook voor schenkingen gedaan vóór 1 september 2018. De nieuwe regels kunnen dus onverwachte gevolgen hebben voor uw successieplanning.

Om die reden heeft de wetgever voorzien dat iedere schenker individueel een verklaring van behoud kan afleggen voor de (Belgische) notaris. Via deze verklaring kan de schenker opteren om de oude regels inzake de waardering van schenkingen en de wijze van inbreng of inkorting toe te passen op schenkingen verricht vóór 1 september 2018.

Voorbeeld 1

Een moeder met twee kinderen wenst aan successieplanning te doen. Het oudste kind is 21 jaar, maar het jongste is nog minderjarig. De moeder wenst haar buitenverblijf aan de Belgische kust te schenken aan beide kinderen. Gezien de minderjarigheid van het jongste kind besluit de moeder om de schenking van het appartement enkel aan de oudste te doen, maar wel op voorschot van erfdeel, zodat de kinderen gelijk behandeld worden en de jongste zijn deel van het appartement krijgt bij overlijden van de moeder.

Onder het oude Erfrecht gebeurde de inbreng van een onroerend goed volgens het basisprincipe (van artikel 859 B.W.) in natura, wanneer het geschonken goed niet vervreemd was en in de nalatenschap geen andere onroerende goederen van gelijke aard, waarde en deugdelijkheid aanwezig waren. Aldus zou het oudste kind bij overlijden van de moeder de helft van het appartement moeten afstaan aan zijn jongste broer. Het buitenverblijf keert dus terug naar de nalatenschap van de moeder en beide kinderen worden gelijk behandeld. Het opzet van de successieplanning is geslaagd.

Onder het nieuwe Erfrecht is de inbreng in natura afgeschaft en vervangen door een inbreng in waarde. Het oudste kind is slechts een vergoeding verschuldigd aan het jongste kind ten belope van de helft van de waarde van het appartement. Een verklaring van behoud zou in deze situatie aangewezen zijn om te voorkomen dat het jongste kind zich tevreden moet stellen met een loutere vordering in geld.

Voorbeeld 2

Een vader bezit een familiale onderneming en heeft twee kinderen, een zoon en een dochter. De zoon heeft altijd veel interesse getoond in de familiale onderneming en wil graag in de voetsporen treden van zijn vader. De vader schonk de blote eigendom van de aandelen van zijn bedrijf aan zijn zoon en dit onder het fiscale gunstregime van vrijstelling van schenkbelasting (cfr. 0%). Over de jaren heen is de waarde van de aandelen sterk toegenomen door de harde inzet van de zoon. Onder het oude erfrecht moest een dergelijke aandelenschenking afgerekend worden in de vaderlijke nalatenschap tegen de waarde die de aandelen hadden ten tijde van de schenking (artikel 922, lid 2, oud BW).

Volgens het nieuwe Erfrecht moeten deze aandelen echter verrekend worden op basis van de waarde op het ogenblik van overlijden, aangezien de zoon pas dan de volle beschikking krijgt over de geschonken aandelen. Deze nieuwe waarderingsregel leidt er dus toe dat de schenking van de aandelen moet worden verrekend met de zus tegen de waarde die de aandelen hebben op de overlijdensdatum van vader (die veel hoger is dan de waarde ten tijde van de schenking). In feite heeft de zoon dus jarenlang gewerkt in het bedrijf en zal zijn zus nu zo maar meegenieten van de vruchten van zijn arbeid.

Om dit onbedoelde effect tegen te gaan zou de vader een verklaring van behoud kunnen afleggen: hierdoor wordt de schenking in zijn nalatenschap afgerekend tegen de waarde van destijds. Doet hij dat niet, dan plukt de dochter de vruchten van de inzet van haar broer.

Alles of niets

Het is van belang te weten dat het afleggen van een verklaring van behoud een alles-of-niets-verhaal is. Indien men kiest dergelijke verklaring af te leggen heeft dit gevolg voor alle schenkingen gedaan voor 1 september 2018.

Termijn

De termijn om een verklaring van behoud af te leggen werd verlengd tot 1 september 2019. Uit recente publicaties blijkt dat nog net geen 1.000 verklaringen werden opgemaakt. In vergelijking met de 37.852 schenkingen die in 2017 geregistreerd werden, is dit aantal gering. De kans bestaat dat mensen zich niet voldoende bewust zijn van de mogelijkheid om voor de oude waarderingsmethode te kiezen door middel van een verklaring van behoud.

Indien u zich in het bovenstaande herkent en overweegt een verklaring van behoud af te leggen, wacht dan niet te lang. Wij kunnen u bijstaan bij het doorlichten van uw successieplanning en u correct adviseren of er al dan niet een verklaring van behoud moet worden afgelegd.

Julie Raymaekers

Peter Meeuwssen

Robby Ackermans

De taks op de effectenrekening en inning ervan. Waakzaamheid is geboden.

  • Wat is de taks op de effectenrekening?

Met de inwerkingtreding van de wet betreffende de taks op de effectenrekening op 10 maart 2018 werd de zogenaamde ‘effectentaks’ een feit. Sedertdien is elke natuurlijke persoon die titularis is van een of meerdere effectenrekeningen onderworpen aan een heffing van 0,15%, zodra de totale belastbare waarde van de onderliggende financiële instrumenten 500.000 euro of meer bedraagt.

  • Wie is aan de taks op de effectenrekening onderworpen?

De natuurlijke persoon die ‘titularis’ is van een bovenvermelde effectenrekening, is aan de effectentaks onderworpen. De wet stelt duidelijk dat zowel de volle eigenaar, de blote eigenaar als de vruchtgebruiker van een effectenrekening als titularis worden aangemerkt.

Bijgevolg worden ook effectenrekeningen, aangehouden door een burgerlijke maatschap, toegewezen aan een titularis. De burgerlijke maatschap heeft immers geen rechtspersoonlijkheid, waardoor de onderliggende maten naar hun aandeel in de deelbewijzen van de burgerlijke maatschap en in hun hoedanigheid van volle- of blote eigenaar dan wel vruchtgebruiker, aangeduid worden als zijnde de titularis van de effectenrekening.

  • Wie int de taks op de effectenrekening?

De Belgische financiële instelling waar uw aandeel in een effectenrekening minstens 500.000 euro of meer bedraagt zal automatisch deze taks innen. Heeft de belastingplichtige bij verschillende tussenpersonen afzonderlijk minder dan 500.000 euro aan effecten, maar gezamenlijk 500.000 euro of meer, dan zal de belastingplichtige zelf de financiële instelling op de hoogte moeten brengen of zelf de aangifte doen en de taks betalen, hetgeen trouwens ook het geval is indien de effectenrekening wordt aangehouden bij een buitenlandse financiële instelling.

  • Problemen in de praktijk

De inning van de effectentaks loopt in de praktijk echter niet zo soepel. Telkens lijkt een gebrek aan informatie-uitwisseling tussen de belastingplichtige en de financiële instelling die de taks dient over te maken aan de fiscus, een efficiënte, correcte afhandeling in de weg te staan.

a) Belastbare waarde

Een eerste probleemsituatie doet zich voor tijdens de afbakening van de belastbare waarde, zijnde de belastbare grondslag waarop de effectentaks geheven zal worden. Bij gebreke aan meerdere informatie zal de financiële instelling de historische koerswaarde aanhouden, zonder rekening te houden met eventuele geleden waardevermindering. Nochtans is de wet duidelijk in die zin dat een gemiddelde waarde dient aangenomen te worden bepaald over een welbepaalde referentieperiode.

b) Identificatie titularis burgerlijke maatschap

Daarnaast is de deelbewijzenverhouding van de burgerlijke maatschap, zoals de financiële instelling daar kennis van heeft, vaak achterhaald. In het kader van de vermogens- en successieplanning, worden de deelbewijzen van de maatschap immers vaak geschonken aan de verscheidene partijen, al dan niet met voorbehoud van vruchtgebruik. Indien deze schenking(en) vervolgens niet word(t)(en) kenbaar gemaakt aan de financiële instelling, dan dreigt er een en ander fout te lopen inzake de praktische uitvoering van de effectentaks.

Zo is het niet ondenkbaar dat een echtpaar met één kind in het kader van hun vermogens- en successieplanning, een effectenrekening wil inbrengen in een burgerlijke maatschap. De ouders zullen per hypothese de burgerlijke maatschap oprichten en, ten gepaste tijde, al dan niet met voorbehoud van vruchtgebruik de deelbewijzen schenken aan hun kind.

Het is in die context van groot belang dat deze schenking door de belastingplichtige kenbaar wordt gemaakt aan de financiële instelling. De houder van een deelbewijs in de burgerlijke maatschap wordt immers aangemerkt als een titularis voor doeleinden van de taks op de effectenrekening.

Aldus zal in hogervermeld voorbeeld een effectenportefeuille met een waarde van 1.200.000 euro ten gevolge van deze schenking niet toebehoren aan twee, maar aan drie titularissen. Dit leidt dit er toe dat geen effectentaks meer verschuldigd zal zijn, aangezien elke maat geacht wordt een aandeel van 1/3e van de rekening te bezitten, zijnde 400.000 euro.

In de praktijk zal het schoentje hier al te vaak wringen. Een belastingplichtige die haar financiële instelling hier niet van attent maakt, dreigt, zoals blijkt uit bovenstaand voorbeeld, ten onrechte onderworpen te worden aan de effectentaks. Het is bijgevolg erg belangrijk bijvoorbeeld de schenkingen van de deelbewijzen kenbaar te maken aan de financiële instelling.

Het moge duidelijk zijn dat een nauwkeurige jaaropvolging van de burgerlijke maatschap ook in deze context onontbeerlijk is. Het Estate Planning Team van Sherpa Law staat u hierin graag bij.

Laurens Gastmans Robby Ackermans Peter Meeuwssen

Is de zaakvoerder van een burgerlijke maatschap ooit almachtig geweest ?

Binnen de wereld van de vermogensplanning is de burgerlijke maatschap al geruime tijd een geliefde controlestructuur. De schenkers (meestal de ouders) zijn vaak niet bereid hun vermogen volledig los te laten en wensen controle te behouden over de geschonken goederen. Zeker bij de overdracht van familiale vennootschappen willen de schenkers zeggenschap houden over de gang van zaken in het bedrijf.

De burgerlijke maatschap is hiervoor om meerdere redenen een geschikt instrument. Het door de ouders ingebrachte vermogen kan eenvoudig worden overgedragen door het schenken van de deelbewijzen van de maatschap. Via het zaakvoerderschap van de maatschap en het voorbehoud van vruchtgebruik door de schenkers op de geschonken deelbewijzen kunnen toch een zekere controle en inkomsten behouden blijven.

Verdere voordelen zijn dat het gaat om een eenvoudig onderhands contract waar weinig formaliteiten en dwingende wettelijke regels aan verbonden zijn. Zo is er geen tussenkomst van een notaris vereist en kunnen de inbreng, het bestuur en duurtijd vrij geregeld worden. Daarnaast is de burgerlijke maatschap ook fiscaal interessant doordat zij fiscaal transparant is en dus niet onderworpen is aan de vennootschapsbelasting.

De gevolgen van de opeenvolgende handelingen (oprichting maatschap, inbreng en schenking van de deelbewijzen) mag men niet miskennen. De ouder-schenker-zaakvoerder mag zich niet zo gaan gedragen alsof deze handelingen niet hadden plaatsgevonden en alsof het ingebrachte vermogen nog steeds zonder enige beperking aan zijn heerschappij onderworpen zou zijn. Een dergelijke houding zou problematisch kunnen zijn voor de beoordeling van de schenking (“donner et retenir ne vaut”), maar kan ook gevolgen hebben op het vlak van het maatschapsbestuur.

Over dit laatste handelt het arrest van het Gentse hof van beroep van 5 september 2018. De concrete feiten zijn ons als dusdanig niet bekend, maar we vernemen dat het erom gaat dat de zaakvoerder de maatschap bestuurde in zijn eigen belang, en niet in het belang van het gemeenschappelijke doelvermogen dat door de inbreng was ontstaan. De andere maten (in casu de kinderen) vorderden dat de bevoegdheid tot besturen van de zaakvoerder (vader) zou worden ontnomen en haalden hun slag thuis.

De controlebevoegdheid van de zaakvoerder-schenker wordt, enerzijds, in de statuten van de burgerlijke maatschap vaak bijzonder ruim omschreven. Anderzijds is en blijft de burgerlijke maatschap een doelgebonden vermogen. De zaakvoerder van de maatschap mag deze derhalve niet besturen in zijn louter eigen belang maar moet ook rekening houden met het belang van de andere maten .

Het hof van beroep stelt heel duidelijk dat “het mogelijk is dat de statutaire zaakvoerder zijn mandaat op zo’n wijze uitoefent dat hierbij het gevaar ontstaat dat het belang van de maatschap (waaronder het correct beheer van het gemeenschappelijk doelvermogen) wordt geschonden”.

Eén en ander wellicht voor bewezen aannemend stelt het hof een voorlopig bewindvoerder aan die het bestuur van de burgerlijke maatschap moet overnemen in het belang van alle maten.

In welke mate de zaakvoerder zijn plichten jegens de maten en maatschap had miskend, weten wij voorlopig niet. Sommigen stellen nu dat de zaakvoerder “niet langer Zonnekoning” is. De ware toedracht is natuurlijk, dat de zaakvoerder nooit Zonnekoning is geweest (hoewel sommige adviseurs het zaakvoerderschap misschien wel als zodanig hemelhoog hebben geprezen).

In wezen verandert dit arrest niets en er is zeker geen reden tot paniek. Het arrest bevestigt gewoon dat de zaakvoerder het ingebrachte (en weggeschonken) vermogen te beheren heeft in het belang van alle deelgenoten, en niet louter in zijn eigen belang. Dat is niets nieuws.

De burgerlijke maatschap blijft dus een uitstekende structuur voor vermogensplanning. In het gros van de gevallen zal de zaakvoerder zijn bevoegdheid op een redelijke manier uitoefenen. De rechtbanken zullen ook voorzichtig omspringen met de mogelijkheid om een voorlopig bewindvoerder aan te stellen.

Wel moet het voor iedereen duidelijk zijn dat de spelregels van de maatschap moeten worden gerespecteerd : het bestuur moet correct worden uitgeoefend in het belang van alle maten. Wie zulks naleeft, heeft helemaal niets te vrezen !

Tot slot : er werd cassatieberoep ingesteld tegen dit arrest. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd…

Aarzel niet om ons te contacteren, indien u bovenstaande verder wenst te bespreken of indien u vragen heeft.

Fréderic Stynen Dirk De Groot