De boekhoudkundige verplichtingen van de familiale maatschap en de Belgische private stichting

De familiale maatschap is een boekhoudplichtige onderneming

Het is genoegzaam bekend dat de familiale maatschap, sedert het gewijzigde ondernemingsrecht, verplicht is tot het voeren van een boekhouding en tot het opstellen van een jaarrekening.

Als uitgangspunt stelt de wetgever dat iedere familiale maatschap op heden een dubbele boekhouding moet voeren. Doch, voor zover de jaarlijkse omzet van de familiale maatschap niet groter is dan 500.000 euro (exclusief btw), staat het de familiale maatschap vrij een enkelvoudige boekhouding te voeren. Het begrip omzet wordt daarbij wettelijk gedefinieerd als “…het bedrag van de andere dan niet-recurrente ontvangsten”.

Bij een ontwerpadvies van 15 mei 2019, heeft de Commissie van Boekhoudkundig Normen (CBN) getracht meer duidelijkheid te scheppen omtrent het begrip “omzet”, en verder ook de begrippen “ontvangsten” en “recurrent”. Het ontwerp stelt dat onder ontvangsten moet worden begrepen:

[…] alle ontvangsten ongeacht of deze een opbrengst uitmaken in de zin van een dubbele boekhouding. Zo betekent de verkoop van een machine die duurzaam wordt gebruikt voor de bedrijfsuitoefening voor een bedrag van 100 een ontvangst van 100 ongeacht de boekwaarde die deze machine zou hebben gehad indien een dubbele boekhouding zou zijn gevoerd.[…] met recurrent wordt bedoeld dat het gaat om courant voorkomende ontvangsten voor de betrokken entiteit die dus niet uitzonderlijk zijn”.

Dergelijke ruime opvatting leert ons dat omzet bepaald wordt door ontvangsten, en niet door meerwaarden of opbrengsten die toekomen aan de familiale maatschap, hetgeen in de praktijk veel vragen en bedenkingen heeft doen oproepen.

Denk bijvoorbeeld aan een beleggingsportefeuille gehouden door de familiale maatschap. Het is onbetwist dat de interesten en dividenden behoren tot de omzet. Maar behoort een terugbetaling van kapitaal, of interesten/dividenden die werden toegekend, doch nog niet werden betaald, tevens tot de ontvangsten (en dus) omzet van de familiale maatschap?

Daarenboven duidt het boekhoudrecht het begrip “niet-recurrente ontvangsten” onder algemene bewoording als “opbrengsten die een bedrijfskarakter hebben maar geen verband houden met de gewone bedrijfsuitoefening van de vennootschap.

De andere dan niet-recurrente ontvangsten zouden dan deze zijn die een verband houden met de gewone bedrijfsuitoefening van de vennootschap.

Voor een familiale maatschap zou dit impliceren dat een ontvangst in deze optiek recurrent is zodra zij resulteert uit het in stand houden, het beleggen, het verkopen, het verzekeren, … van (een bestanddeel van) haar familiale activa. Onder deze benadering zou dan iedere verkoop van effecten, ondergebracht in de beleggingsportefeuille, een ontvangst opleveren en dus tot de omzet van de familiale maatschap behoren. Bijgevolg dreigen vele familiale maatschappen die zich inlaten met een actief beheer van het familiaal vermogen ten gevolge van deze benadering een dubbele boekhouding te moeten voeren. Het is maar zeer de vraag of de wetgever inderdaad de bedoeling heeft gehad de familiale maatschappen te behandelen zoals de andere ondernemingen.

De gewijzigde boekhoudkundige verplichtingen van de Belgische private stichting

De Belgische private stichting is al langer wettelijk verplicht een boekhouding te voeren, die evenredig is aan haar grootte. Deze groottecriteria werden onlangs aangepast en tevens toegelicht in een recent ontwerpadvies van de CBN van 5 juni 2019. Samengevat bestaan er onder het huidige wettelijk kader drie types stichtingen naargelang hun grootte: een microstichting, een kleine stichting en een grote stichting.

In hoofdzaak is een stichting “klein” als op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één van de volgende (nieuwe) criteria wordt overschreden:

  • jaargemiddelde van 50 werknemers (FTE);

  • jaaromzet (excl. btw): 9.000.000 euro;

  • balanstotaal: 4.500.000 euro.

Is er een overschrijding van hogergenoemde criteria gedurende twee achtereenvolgende boekjaren, dan is de stichting vanaf het derde boekjaar “groot”.

Voor de beoordeling van een microstichting wordt eenzelfde methode gebruikt, met toepassing van volgende criteria:

  • jaargemiddelde van 10 werknemers (FTE);

  • jaaromzet (excl. btw): 700.000 euro;

  • balanstotaal: 350.000 euro.

Wij merken op dat (behoudens de cijfermatige aanpassingen) het oorspronkelijk groottecriterium van “ontvangst” gewijzigd werd naar “jaaromzet”. Onder “omzet” dient in deze context begrepen te worden, […] het bedrag van de verkoop van goederen en de levering van diensten aan derden, in het kader van de gewone bedrijfsuitoefening van de vzw, ivzw of stichting, onder aftrek van de op de verkoopprijs in handel toegestane kortingen. Btw of enige andere belastingen op deze verkopen behoren evenwel niet tot de omzet.

Tegelijk wordt er in een afwijkende regeling voorzien: […] wanneer de opbrengsten die voortspruiten uit het gewoon bedrijf van een stichting voor meer dan de helft bestaan uit opbrengsten die niet beantwoorden aan de omschrijving “omzet”, moet voor de beoordeling van de grootte van een stichting onder “omzet” worden verstaan: het totaal van de bedrijfs- en financiële opbrengsten met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten. Het betreft met name de recurrente opbrengsten - ontvangsten die courant voorkomen en bijgevolg niet uitzonderlijk zijn. Bij de toepassing van het afwijkend regime, zouden aldus schenkingen en legaten tot de omzet van de stichtingen kunnen behoren, uiteraard op voorwaarde dat zij een recurrente opbrengst uitmaken van de private stichting. Ook voor een gerealiseerde meerwaarde op een beleggingsportefeuille geldt eenzelfde redenering.

De private stichting voert haar boekhouding verder volgens het respectievelijk verkort-, micro- of volledig schema.

De kleine stichting (en a fortiori ook de microstichting) kan er evenwel voor opteren haar boekhouding te voeren volgens het enkelvoudig model, op voorwaarde dat op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één van volgende criteria wordt overschreden:

  • jaargemiddelde van 5 werknemers;

  • in totaal 334.500 euro aan andere dan niet-recurrente ontvangsten, exclusief btw;

  • in totaal 1.337.000 euro aan bezittingen;

  • In totaal 1.337.000 euro aan schulden;

De raad van bestuur van de private stichting zal bijgevolg ieder jaar nagaan of men de boekhouding naar het enkelvoudig model kan voeren – en beslissen of er inderdaad van deze mogelijkheid gebruik zal worden gemaakt.

De private stichting dient verder haar jaarrekening steeds neer te leggen. Zo de stichting aan de voorwaarden voldoet om een enkelvoudige boekhouding te voeren, zal zij haar jaarrekening (ongeacht of deze enkelvoudig is dan wel dubbel) neerleggen bij griffie van de Ondernemingsrechtbank van het arrondissement waar haar zetel gevestigd is. In alle andere gevallen wordt de jaarrekening van de private stichting neergelegd bij de Nationale Bank van België. Recent werd evenwel een wetsvoorstel ingediend waardoor élke private stichting haar jaarrekening moet neerleggen bij de Nationale Bank van België. Dit voorstel is evenwel nog niet definitief.

Wij benadrukken tot slot dat ook de jaarrekening van de private stichting tot slot discreet is. Zij wordt niet openbaar gemaakt.

Het Estate Planning Team van Sherpa Law volgt hogergenoemde boekhoudkundige verplichtingen nauwgezet op. Wenst u meer informatie omtrent deze gewijzigde verplichtingen, aarzelt u dan niet contact op te nemen met Peter Meeuwssen of Robby Ackermans

Nederlands
Français
English