Gesplitste verkrijging en gesplitste inschrijving (blote eigendom – vruchtgebruik). Raad van State fluit Vlabel terug en vernietigt het omstreden standpunt 15004

Inleiding - Twee voorbeelden om het probleem te schetsen

a) Bij de dood van Armand blijkt dat hij de vruchtgebruiker was van een appartement aan de kust, en dat zijn enige dochter Joëlle daarvan de blote eigenaar is. Dit vruchtgebruik zal uitdoven door de dood van Armand, zodat Joëlle zonder enige erfbelasting nu “promoveert” van blote eigenaar naar volle eigenaar. Welnu, artikel 2.7.1.0.7 VCF (dat artikel 9 W. Succ. herneemt) gaat uit van het vermoeden dat vader bij de aankoop van dit appartement wel alles zal betaald hebben: zowel zijn deel (vruchtgebruik) als het deel van Joëlle (de blote eigendom). Als dat inderdaad zo is, dan heeft Joëlle bij die verwerving dus een geschenk gekregen dat geheim bleef voor de buitenwereld (een “bedekte bevoordeling”, zegt de wet). Voor de erfbelasting zal men doen alsof het appartement eigenlijk aan vader Armand toebehoorde en Joëlle zal erfbelasting moeten betalen over de volle waarde ervan. Zij kan daaraan ontsnappen door een tegenbewijs te leveren, waarover verder meer.

b) Bij de dood van Amandine blijkt dat zij als vruchtgebruiker van een effectenportefeuille stond ingeschreven bij de bank, terwijl haar zoon Marc als blote eigenaar stond ingeschreven. Vergelijkbaar met het voorgaande vermoedt de wet dat Amandine de effecten al “op naam van Marc” heeft gezet, gewoon door hem in de rekening te doen opnemen als blote eigenaar, wat dan weer een bedekte bevoordeling uitmaakt. Marc zal erfbelasting moeten betalen op de waarde van de effecten, tenzij hij een tegenbewijs levert.

Waaruit bestaat dit tegenbewijs ? Oud en nieuw !

Bij de gesplitste verwerving (geval van Armand en Joëlle) moet Joëlle (naast enkele andere zaken) aantonen dat zij de nodige persoonlijke gelden bezat om de blote eigendom van het appartement aan te kopen. Het is in dit verband van belang dat de blote eigenaar deze gelden bezat vóór de aankoop. De wijze waarop deze fondsen in zijn vermogen zijn gekomen, is van geen belang. De administratie heeft ettelijke tientallen jaren aanvaard dat deze gelden werden geschonken door de erflater (dus vader Armand) op voorwaarde dat deze schenking de aankoop voorafging. Dat was voldoende. Er werd niet vereist dat bij deze voorafgaande schenking schenkbelasting werd betaald. Als dus Joëlle kan aantonen dat vader haar een weekje voor de aankoop de centen had geschonken door een bankgift, zodat zij haar deel kon betalen, en zij ook effectief had betaald, dan ontsnapt zij aan de erfbelasting bij de dood van haar vader (tenzij vader na de schenking minder dan drie jaar in leven bleef, maar dat is een andere kwestie).

Vanaf 2013 veranderde de federale fiscus het geweer van schouder. Het standpunt van de federale Administratie in het Repertorium (Rep. R.J, nr. S9/06-07) luidt vanaf dan dat het tegenbewijs voor de bedekte bevoordeling niet langer kan worden geleverd door het bestaan van een voorafgaande schenking aan te tonen, tenzij die schenking aan het registratierecht (of schenkbelasting) werd onderworpen of tenzij de begiftigde vrij over de geschonken gelden heeft kunnen beschikken. Dit standpunt vindt op geen enkele wijze steun in de wet, wel integendeel. Het nieuwe standpunt werd van toepassing verklaard op alle rechtshandelingen vanaf 1 september 2013.

Vlabel heeft in zijn beslissing nr. 15004 van 6 juli 2015 gesteld deze zienswijze te volgen, waarbij als peildatum eveneens 1 september 2013 behouden bleef.

Voor Marc liggen de zaken in dezelfde lijn : hij moet aantonen dat de inschrijving van de effecten op zijn naam voor de blote eigendom, geen bedekte bevoordeling uitmaakt. Hij kan dat bijvoorbeeld doen door te verwijzen naar een aankoopakte waaruit blijkt dat hij die effecten heeft gekocht van zijn moeder. Of hij kan verwijzen naar een schenking, door zijn moeder aan hemzelf, waarbij zij zich het vruchtgebruik had voorbehouden. Als hij dit aantoont, dan is de inschrijving slechts een uitvoering van een eerder gestelde rechtshandeling (de aankoop, de schenking) en is het dus niet die inschrijving op zichzelf die een bedekte bevoordeling heeft tot stand gebracht. Tegenbewijs geleverd, en ook Marc betaalt geen erfbelasting op die effecten (tenzij moeder Amandine binnen de drie jaar na de schenking overleed, wat een ander vraagstuk uitmaakt).

Welnu : het federale standpunt van 2013 over de gesplitste aankoop (met name dat een voorafgaande schenking alleen als tegenbewijs kon worden aanvaard indien zij geregistreerd werd), werd door de federale administratie uitdrukkelijk  niet van toepassing verklaard op de gesplitste inschrijving van effecten ; als Marc kon bewijzen dat zijn moeder hem de effecten in blote eigendom had geschonken, dan was en bleef het tegenbewijs geleverd, ook al werd die schenking niet in België geregistreerd werd dus geen schenkbelasting betaald.

Vlabel van zijn kant, heeft het standpunt 15004 uitgebreid tot de gesplitste inschrijvingen van effecten ; voor Vlaamse successies moet een schenking van de blote eigendom van de effecten, die aan de gesplitste inschrijving voorafgaat, dus worden geregistreerd (en afgerekend!) opdat zij als tegenbewijs kan dienen zodat later geen erfbelasting verschuldigd is. Vooral voor de vele families die een effectenportefeuille of aandelen van hun vennootschap onderbrachten in een maatschap, en daarvan reeds deelbewijzen schonken met voorbehoud van vruchtgebruik, was deze beslissing belangrijk en was bijsturing noodzakelijk.

De Raad van State

Het standpunt 15004 van Vlabel werd aan de Raad van State voorgelegd met het verzoek dit vernietigen. En de Raad vernietigde.

In een zeer uitgebreid arrest van 44 pagina’s geeft de Raad zeer grondig de standpunten van de twee partijen (verzoeker tot vernietiging en Vlabel) weer.

Na zeer grondig onderzoek van de totstandkoming van de wet van 1919, waarin het vermoeden van een bedekte bevoordeling ingesteld werd alsmede van het te leveren tegenbewijs en na een uitgebreide studie van de verschillende administratieve standpunten (federaal en Vlabel) daarover doorheen de geschiedenis, komt de Raad tot het volgende besluit.

De interpretatie die Vlabel geeft aan artikel 2.7.1.0.7 VCF inzake het begrip “bedekte bevoordeling” en het te leveren tegenbewijs, strookt niet met de wet en is er strijdig mee. Noch uit de tekst van de wet, noch uit de parlementaire voorbereidingen, noch uit het gedrag en de opvattingen van de fiscale administratie zelf gedurende ettelijke decennia, kan worden afgeleid dat een voorafgaande schenking slechts een tegenbewijs kan uitmaken (van een bedekte bevoordeling) indien die schenking in België geregistreerd werd. Standpunt 15004 van Vlabel wordt integraal vernietigd.

Gevolgen en belang van dit arrest

Het grootste belang van dit arrest bestaat erin, dat de interpretatie die Vlabel heeft gegeven aan de notie van “bedekte bevoordeling” en het te leveren tegenbewijs in het kader van artikel 2.7.1.0.7 VCF als ongeldig wordt beschouwd wegens strijdigheid met het decreet. De vernietiging geldt jegens allen (“erga omnes”) en het standpunt wordt geacht nooit te hebben bestaan. De visie waarbij van een voorafgaande schenking werd vereist dat zij geregistreerd werd om als tegenbewijs te kunnen dienen, werd als niet wetsconform van de hand gewezen. Het schijnt ons dan ook toe dat VLABEL zich dus niet op het gebrek aan registratie van de voorafgaande schenking zal kunnen beroepen om het tegenbewijs af te wijzen.

Het gewezen arrest leert dat de Raad van State de wetshistorische interpretatie van het artikel 9 W.Succ. aangrijpt om tot zijn verdict te komen. Het arrest is op het vlak van de interpretatie dus niet alleen van belang voor nalatenschappen die op fiscaal vlak in Vlaanderen gesitueerd zijn, maar ook voor de successies die openvallen in Brussel of Wallonië. Hoewel het voorwerp van het geschil niet het federale standpunt over de voorafgaande schenking als tegenbewijs tot voorwerp had, is het duidelijk dat de interpretatie die de federale belastingadministratie sedert 2013 aanhoudt, evenzeer is afgewezen.

Wij raden iedereen aan die in Vlaanderen, Brussel of Wallonië werd belast overeenkomstig artikel 2.7.1.0.7 VCF of artikel 9 W. Succ. omdat een voorafgaande schenking niet werd aanvaard als tegenbewijs nu zij niet ter registratie werd aangeboden, door een expert te laten onderzoeken of en op welke wijze zij een teruggave van de belasting kunnen eisen. Het zou van behoorlijk bestuur getuigen, indien de fiscale overheid de belastingplichtigen meteen genoegdoening schenkt, zonder hen eerst tot procedure te dwingen.

Daarnaast stelt zich voor de praktijk van de estate planning weer de vraag of de bedoelde verrichtingen thans weer onbekommerd kunnen worden geadviseerd met voorafgaande schenkingen die niet ter registratie aangeboden worden.

Ten slotte is dit arrest een hart onder de riem van eenieder die beseft dat de Standpunten van Vlabel geen in steen gehouwen evangelie uitmaken, maar nog altijd de toets van de rechter moeten doorstaan. In ons land heerst nog steeds het fiscale legaliteitsbeginsel dat aan de wet een groter belang toekent dan aan de wensen van de fiscus.

Uit onze praktijk weten wij dat nog verschillende standpunten aan het oordeel van de rechtbank zullen onderworpen (moeten) worden, opdat de belastingplichtigen de wettelijke behandeling krijgen die hen toekomt en de standpunten uiteindelijk misschien worden bijgesteld.

In ieder geval staan wij u graag te woord indien u vragen zou hebben over deze aangelegenheid. U contacteert daarvoor robby.ackermans@sherpalaw.be, peter.meeuwssen@sherpalaw.be of dirk.degroot@sherpalaw.be.